20.000 vrijwilligers, is dat veel?

dinsdag, 16 september, 2014 om 17:19
Geplaatst door Rolf

vijfsterrenIn Ons Alexander zijn we blij met ruim 20.000 vrijwilligers. Het deelnamepercentage vrijwilligerswerk ligt in de buurt van de 35% van de volwassen bevolking, voor een grote stad een mooi resultaat. Nu doen al die vrijwilligers niet allemaal evenveel: er zijn er een paar die heel veel doen, en veel die veel minder doen. Die scheve verdeling is al langer bekend en zou ons moeten doen realiseren dat het meer gaat om het aantal uren vrijwilligerswerk dat we beschikbaar hebben dan om het aantal vrijwilligers. We zouden echt voorzichtig moeten zijn met de harde werkers.

Maar wat zegt dat aantal van 20.000 vrijwilligers nu precies? Het is het aantal mensen dat – naar eigen zeggen – het afgelopen jaar vrijwilligerswerk heeft gedaan. Daarvan doen er dus relatief weinig veel, en relatief veel doen weinig. Sommige vrijwilligers werken bij wijze van spreken de hele dag door, anderen komen eenmaal per jaar eens kijken voor een klusje van een uurtje bij NLdoet. Van die fanatieke vrijwilliger weet je bijna zeker dat hij of zij ook nu actief is, van die NLdoet vrijwilligers weet je bijna zeker dat ie nu niet actief is. Hoeveel vrijwilligers zijn er nu op een willekeurig tijdstip actief? Op de fiets op weg naar een afspraak probeer ik me wel eens voor te stellen hoeveel anderen ook op dat precieze moment bezig zijn met vrijwilligerswerk.

Omdat we niet precies weten wie wanneer vrijwilligerswerk doet moet dat aantal worden geschat. Hieronder volgt een poging te schatten hoeveel mensen er op een willekeurig moment aan het vrijwilligerswerken zijn. Mocht het dan allemaal een beetje tegenzitten, dan weet je dat je op dat moment tenminste zoveel medestanders hebt.

Er wordt door het OBI geschat dat vrijwilligers in Rotterdam gemiddeld 3 uur per week vrijwilligerswerk doen. Wanneer er ‘s nachts een verwaarloosbaar klein deel vrijwilligerswerk wordt gedaan, is er grofweg 15 uur per dag beschikbaar waarin wel vrijwilligerswerk wordt gedaan. Als elke gemiddelde vrijwilliger een blokje van 3 uur vrijwilligerswerk achter elkaar zou doen, eenmaal per week (dan klopt het gemiddelde aantal uren per week), dan zouden we 5 verschillende gemiddelde vrijwilligers nodig hebben om een dag van 15 uur met vrijwilligerswerk te vullen. Per week zouden we dan 35 verschillende gemiddelde vrijwilligers met elk 3 uur nodig hebben. We gaan er dan gemakshalve maar van uit dat op alle dagen evenveel vrijwilligerswerk wordt gedaan.

Op die manier kun je schatten dat er 20.000/35 = 570 vrijwilligers – ongeveer – op een bepaald moment actief zijn.

Mocht je je dus op de fiets, bij regen en tegenwind, afvragen hoeveel andere vrijwilligers er op dat moment actief zijn voor een leukere samenleving, dan kun je je vasthouden aan een schatting van een kleine 600 in Ons Alexander. Als ze elkaar een hand geven en een ketting vormen wordt die ruim een kilometer lang. Is toch makkelijker voor te stellen dan 20.000.

Een lot uit de loterij

dinsdag, 2 september, 2014 om 16:53
Geplaatst door Rolf

Euro_banknotesVrijwilligersorganisaties hebben vrijwel altijd gebrek aan twee dingen: geld en vrijwilligers. Over hoe we met zijn allen met vrijwilligers omgaan volgt binnenkort wel weer een post, nu maar eens aandacht voor het geld. Elke bestuurder van een vrijwilligersorganisatie – echt niet alleen de penningmeester – zou zich moeten realiseren dat de organisatie duurzamer wordt als je de vuistregel volgt dat je minstens vijf verschillende inkomsten-bronnen zou moeten hebben, waarvan er geen één groter is dan 30% van je begroting. Nu zijn vuistregels maar vuistregels en is altijd maatwerk nodig, maar er zit wel wat in. In OnsAlexander hebben de Wijkbus, WION en Prinsenhof over dit principe kunnen leren van Lucas Meijs en Lonneke Roza van de Erasmus Universiteit. Maar ook stichting Kinderkleding Ruilen is bezig om de beschikbare inkomstenbronnen te verbreden. Met een loterij. Kan dat zomaar? Mag dat wel? Ja hoor, dat kan allemaal, onder een aantal niet al te lastige voorwaarden.

Voor een loterij moet je een vergunning hebben. De webpagina van de gemeente legt uit hoe het verder zit. Als de totale waarde van de te winnen prijzen lager is dan €4.500,-, is het genoeg om toestemming aan te vragen bij Directie Veiligheid/Team Vergunningen, Postbus 70012, 3000 KP Rotterdam. Het aanvraagformulier vindt u hier. Mocht u de prijzen wat ambitieuzer hebben ingekocht (totale waarde groter dan € 4.500,-) dan zult u een vergunning aan moeten vragen bij het Ministerie van Justitie.

Als je een loterij organiseert kun je te maken krijgen met kansspelbelasting en daarmee met de Belastingdienst. Nuttige info ook op hun site. Er is veel te zeggen over de kansspelbelasting, maar het mooiste is dat wanneer de prijs lager is dan € 454, er geen kansspelbelasting hoeft te worden betaald. Voor de kleine loterij van Kinderkleding Ruilen zou dat dus geen probleem hoeven te zijn. Verder ontbreekt de bureaucratie natuurlijk ook niet: er moet wat administratie worden bijgehouden. Zie hier. Al met al valt het organiseren van een bescheiden loterij dus wel mee. Schiet het lekker op met het vergroten van het aantal inkomstenbronnen.

Met dank aan de ECB voor het plaatje van de eurobiljetten.

Elk voordeel heeft zijn nadeel

maandag, 1 september, 2014 om 11:37
Geplaatst door Rolf

Filantropie in NederlandOp grond van de voorgaande posts zou je bijna gaan denken dat de civil society een wondermiddel is. Burgers en hun organisaties kunnen veel repareren van wat overheid en markt niet goed kunnen regelen, maar burgers kunnen nu ook weer niet àlles. Nu is dat op zich geen probleem, want nergens staat dat burgers àlles zelf moeten gaan doen. Onze samenleving – de participatie-samenleving – blijft het best functioneren als er een evenwicht bestaat tussen overheid, markt en civil society. Dat evenwicht lijkt nu wat meer (terug) te verschuiven naar de civil society, juist omdat we de grenzen gaan zien aan wat overheid en markt kunnen. Maar “falen” van overheid en markt betekent niet dat de civil society zelf geen problemen kent. En juist om te voorkomen dat onrealistische verwachtingen worden gewekt, is het belangrijk te zien wat dan de tekortkomingen van die civil society zijn. Maar blijf onthouden: zoals ook een goed functionerende overheid niet alles kan, en een goed functionerende markt ook niet alle problemen op kan lossen, kan zelfs een goed functionerende civil society niet alles voor iedereen zijn. Alleen samen en in evenwicht wordt het wat.

Wat kan er dan misgaan in de civil society? Er zijn in ieder geval vier aandachtspunten:

  • filantropische inefficiency. De overheid heeft – in principe – altijd geld genoeg. Via belastingen, waar niemand zich aan kan onttrekken (nou ja, op partijen na met erg handige adviseurs), draagt iedereen een steentje bij in de vorm van geld. Met dat geld koopt de overheid werkuren om dingen uitgevoerd te krijgen. Wanneer burgers samen iets willen doen leveren ze zelf de uren en het geld. Maar die uren en dat geld worden vrijwillig gegeven. Er zullen altijd mensen zijn die wel profiteren van wat de anderen organiseren, maar er niet zelf aan bijdragen, de zogenaamde free riders.  Niet iedereen geeft geld bij collectes en niet iedereen doet aan vrijwilligerswerk. De overheid kan dus medewerking afdwingen (verplichte belasting of dienstplicht), de civil society kan en wil dat niet – het gaat daar om vrijwillige bijdragen. Tegenover het voordeel van de vrijwilligheid staat het nadeel van de beperktere mogelijkheden. Elk voordeel heeft zo zijn nadeel.
  • filantropisch particularisme. De overheid is er voor elke burger, de markt voor elke koopkrachtige. Geen paspoort? Overheid kan – in principe – niets voor je doen. Geen geld? Markt is – in principe – niet in je geïnteresseerd. Burgers richten zich op doelen of doelgroepen die ze zelf kiezen, zonder de verplichting er voor iedereen te zijn. Populaire doelen of doelgroepen krijgen meer aandacht; sta je niet zo in de belangstelling dan is het lastiger. De vrijheid – met je eigen geld en je eigen vrijwilligerswerk – ergens niet van te zijn maakt focus en persoonlijke betrokkenheid mogelijk, maar sluit ook uit. Er bestaat daarmee een zeker risico op “gaten” in het het werk van de civil society.
  • filantropisch paternalisme. Wie betaalt, bepaalt. Een civil society organisatie die voor de financiering afhankelijk is van één gulle gever loopt het risico dat die gulle gever gaat bepalen wie en hoe er wordt geholpen. De inzet van een groep burgers wordt gekaapt door de financier of de leverancier van de uren.
  • filantropisch amateurisme. Dat je graag vrijwillig wilt bijdragen aan het oplossen van een probleem zegt iets over je motivatie, maar nog niets over hoe deskundig je bent. Betrokkenheid en deskundigheid hoeven niet altijd gelijk op te lopen. Bijzonder gedreven net de verkeerde dingen doen schiet niet op.

Deze mogelijke tekortkomingen zijn natuurlijk geen reden nee te zeggen tegen de civil society. Met name de inefficiency en het particularisme zijn keerzijden van de vrijwilligheid. Het risico op paternalisme en amateurisme is met goed bestuur in de praktijk wel te verkleinen. Het zijn wel vier punten om goed op te letten wanneer wordt bekeken hoe we de civil society verder vorm willen gaan geven – als we dat proces al echt kunnen sturen. Elke sfeer, overheid, markt en civil society, heeft zijn eigen voor- en nadelen en alleen wanneer de onderdelen elkaars zwakke kanten compenseren ontstaat een stabiel systeem.

Vorige post volgende

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Teams en pakjes boter

zaterdag, 12 juli, 2014 om 17:26
Geplaatst door Rolf

teamsuccesIn de participatiesamenleving wordt veel verwacht van vrijwilligers. Vaak wordt dan bedoeld: van individuele burgers die iets gaan doen voor een andere individuele burger. Dat heet met een mooie term ook wel informele hulp, want de hulp wordt niet in “georganiseerd verband” geleverd. Sluit natuurlijk naadloos aan bij het wereldbeeld dat er niet meer is dan de overheid, de markt en de individuele burger (het liefst als consument of client). Helemaal verwarrend wordt het als de overheid in beleidsnota’s vrijwilligerswerk “informele hulp” gaat noemen, omdat alleen het werk van professionals “formeel” zou zijn. Opletten blijft nodig bij het lezen en eigenlijk zou elke nota een definitielijstje moeten hebben…

Toch zullen het voornamelijk organisaties van burgers zijn – vrijwilligerswerk wordt gedaan in vrijwilligersorganisaties – die het verschil zullen gaan maken. Wanneer slaat een vrijwilligersorganisatie nu een deuk in een pakje boter? Hoe zit het met de  “impact” van een vrijwilligersorganisatie? Daarover wordt niet alleen nagedacht bij het ECSP van onze eigen Erasmus Universiteit, maar ook op andere plaatsen. Nu is impact een bijzonder veelzijdig begrip en draait het bij veel onderzoek over impact ook voornamelijk om wat de organisatie precies doet: gaan we muskietennetten uitdelen of gaan we insecticiden inzetten? Hoe de organisatie is samengesteld en intern werkt krijgt veel minder aandacht. Uit onverwachte hoek komt nu versterking voor het laatste soort denken over impact van vrijwilligersorganisaties.

Twee wetenschappers op het gebied van complexiteit, Michael Klug en James P. Bagrow van de Universiteit van Vermont in de VS, schreven een artikel over de impact van pakweg 150.000 (!) teams die werken met GitHub. GitHub is een ontwikkel- en samenwerkingsomgeving voornamelijk voor ict-projecten, waarbij veel gegevens worden vastgelegd over de projecten zelf en de teamleden en hun gedrag. Met veel moderne ict, zoals dus GitHub, komen er bijna vanzelf steeds meer grootschalige gegevenssets beschikbaar die zich lenen voor sociaal wetenschappelijk onderzoek.

Een projectteam op GitHub bestaat uit vrijwilligers die samen werken aan het bereiken van een bepaald doel, meestal het ontwikkelen van een stuk software. Zo’n team zou je – door je oogharen – als een vrijwilligersorganisatie kunnen zien.

Klug en Bagrow zochten uit waar het succes van zo’n team van af hangt. Allereerst blijkt de grootte van het team er toe te doen: hoe groter, hoe succesvoller. Meer mensen hebben helpt dus gewoon. Maar er zit een addertje onder het gras dat ervaren vrijwilligers wel zullen weten te waarderen: hoe ongelijker het werk verdeeld is, hoe groter het succes. Het is de aanwezigheid van een harde kern, van mensen die een onevenredig groot deel van het werk op zich nemen, dat de doorslag geeft. Sterke trekkers die het overgrote deel van het werk doen, gesteund door een liefst zo groot mogelijke groep hand- en spandienstverleners is de kern voor succes. Ik denk niet dat dit besturen van goed draaiende vrijwilligersorganisaties vreemd in de oren zal klinken. Het eerlijk verdelen van het werk dat er ligt is dus niet het winnende recept…

Naast de teamgrootte en de onevenredige verdeling van het werk werd nog onderzocht of het verleden, de werkervaring van teamleden van belang is voor succes. Ook hier leuke – want onverwachte – resultaten. Omdat van teamleden in principe bekend is aan hoeveel en welke andere projecten ze eerder hebben gewerkt, kon worden onderzocht of en hoe teamsucces afhangt van die eerder opgedane ervaring.

Het hangt in ieder geval niet af van het aantal projecten dat teamleden in het verleden hebben gedaan. Jarenlange ervaring in een bepaald gebied telt dus niet echt. Wat wel veel uitmaakt is de diversiteit aan projecten die ze hebben gedaan. Hoe diverser de projecten van de teamleden in het verleden, hoe groter de kans op succes van het huidige team. Teamleden die elkaar kennen van eerdere projecten, die een routine in samenwerken zouden kunnen hebben ontwikkeld: het doet allemaal niet ter zake. Hoe diverser de achtergronden in projecten, hoe beter. Wat ook veel uit bleek te maken is of teamleden – ook als ze niet tot de harde kern van het team behoren – al dan niet behoren tot de harde kern van een ander team. De grootste kans op teamsucces ontstaat wanneer zoveel mogelijk teamleden tot de harde kern van een ander team behoren.

Met een slag om de arm stellen de onderzoekers ook vast dat het team het succes maakt, en niet het succes het team: het zou natuurlijk altijd kunnen dat mensen zich – een beetje opportunistisch – aansluiten bij een succesvol team. Dat blijkt niet uit het onderzoek.

Ik weet niet hoe het met u gaat, maar ik zie in dit onderzoek veel observaties uit de praktijk van het vrijwilligerswerk terugkomen. Succesvolle organisaties bestaan uit trekkers met veel werklust en een onevenredig grote inzet, ondersteund door mensen die weliswaar minder voor deze organisatie doen, maar wel zelf trekker zijn in een andere organisatie. Iedereen brengt passie mee, alleen de tijdverdeling over de projecten is verschillend. En….hoe diverser de werkervaring, hoe beter de organisatie.

Willen we toe naar een samenleving waarin vrijwilligersorganisaties een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen dan zullen we moeten uitvinden hoe we de vrijwillige energie van mensen langs bovenstaande lijnen – of nog betere als die uit onderzoek duidelijk worden – ingezet kunnen krijgen.

Het artikel zelf is te vinden op de preprintserver arXiv: http://arxiv.org/abs/1407.2893

M. Klug, J. Bagrow. Understanding the group dynamics and success of teams.

Red: post op 13/7 aangepast mbt de vraag leidt team tot succes of succes tot team?

Een kleine anatomie van de civil society

dinsdag, 8 juli, 2014 om 13:19
Geplaatst door Rolf

democratische driehoekIn Filantropie in Nederland geeft Lucas Meijs in zijn introductie een korte schets van wat wordt verstaan onder de civil society. Omdat het verhaal van de civil society niet vaak genoeg verteld kan worden in een tijd waarin het lijkt alsof alles draait om de overheid, de markt en de burger als individu, volgen hieronder wat cruciale punten: een kleine anatomie van de onderlinge verbanden tussen burgers. Lees het boek als je meer wilt dan de onderstaande “civil society for dummies”.

Het grote plaatje: een samenleving bestaat uit drie onderdelen: overheid, bedrijfsleven en civil society. Ze leveren allemaal hun aandeel aan die samenleving, zijn alle drie nodig en ze hebben alle drie hun sterke en zwakke punten. Alleen samen en in evenwicht is het een sterk bouwsel. Wat behelst nou die civil society?

Je kunt dan kijken naar de functies die er door worden uitgevoerd:

  • onderlinge hulp en solidariteit: burgers kunnen en mogen zich verenigen om samen iets te verwezenlijken. Los van de overheid en zonder winstoogmerk samen doen wat je belangrijk vindt.  Sporters zetten een sportclub op, patiënten een zelfhulpgroep, ouders een school. “Wij voor ons”, zeg maar. Sociale cohesie begint hier.
  • dienstverlening aan anderen: burgers  kunnen en mogen hulp aan of diensten voor anderen organiseren. Met name als de overheid niet kan of de markt niet wil, stappen burgers – niet als individu, maar samen – in. Ook weer los van de overheid en zonder winstoogmerk. Gewoon omdat ze dat menselijk vinden. “Wij voor hen”, om het in het kort te zeggen.
  • stem geven aan verontwaardiging. De wereld kan altijd beter, er zullen altijd misstanden blijven en samen proberen een ideaal gerealiseerd te krijgen begint vrijwel altijd met burgers die iets aan de kaak stellen en actie ondernemen. Overheid en markt krijgen zo bij misstanden een onafhankelijk tegengeluid. “Wij voor de wereld”.

Waar de overheid en de markt niet willen of kunnen, kunnen burgers samen vaak wel iets voor elkaar krijgen. Op deze manier gebeurt er dus veel dat anders zou blijven liggen omdat het niet in het beleid past of geen winst oplevert. Zo bekeken repareert de civil society dus de tekortkomingen van de overheid en de markt. Dat neemt niet weg dat er vaak – meestal – ook innig wordt samengewerkt tussen overheid en civil society en tussen markt en civil society.

De drie functies van de civil society laten zich mooi vertalen naar drie typen organisaties. Dat zijn dan wel pure – ideale – types, want in de praktijk loopt een en ander nogal eens door elkaar heen.  Zo zijn er dus de “onderlinge” organisaties (veelal verenigingen), de “dienstverlenende” organisaties en de “actie-organisaties’.  In de praktijk zal een bepaalde organisatie vaak wel kenmerken van twee of zelfs drie typen hebben.

Die indeling is handig. Omdat er zoveel verschillende soorten organisaties zijn (sport, cultuur, hulp, onderwijs, armoede, natuur etc.) is het moeilijk om te zien wat ze gemeenschappelijk hebben en waarin ze verschillen. Door de indeling van hierboven toe te passen zie je dat een speeltuin en een sportvereniging als “onderlingen” veel op elkaar lijken. Een voedselbank, Dress for Success en schuldhulpmaatjes hebben als “dienstverleners” meer met elkaar gemeen dan alleen het thema armoede.

Een ander voordeel van de indeling: een club die zich ontwikkelt van een “onderlinge” naar een “dienstverlener” moet echt een nieuw kunstje leren. De routines, gewoonten en reflexen van een onderlinge zijn anders dan die van een dienstverlener. Mocht je je als bestuurslid afvragen waarom zo’n proces nou zo moeilijk verloopt: je bent echt bezig de aard van de organisatie te veranderen. Vrijwilligerswerk in een “onderlinge” heeft echt een andere lading dan in een “dienstverlener”.

Nog iets handigs: als de overheid al praat over de civil society, dan doet ze dat vaak in termen van de Wmo. Als de burger als individu iets moet doen of moet regelen, dan is dat eigenlijk niet iets voor de civil society. Als burgers samen iets moeten gaan doen, dan denkt de overheid daarbij vaak in eerste instantie aan “dienstverleners”. Voor een sterke civil society is de aanwezigheid van “onderlingen” – voor sociale cohesie – en actie-organisaties – voor tegenwicht – echter ook noodzakelijk. Steun en aandacht voor hen mag dus niet ontbreken.

Vorige post volgende.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Filantropie in een nieuw licht

dinsdag, 1 juli, 2014 om 12:37
Geplaatst door Rolf

In de introductie van Filantropie in Nederland, dat wordt uitgeven door de Stichting Maatschappij en Onderneming, laat Lucas Meijs, hoogleraar “vrijwilligerswerk, civil society en bedrijven” en hoogleraar “strategische filantropie” aan onze eigen Erasmus Universiteit ons een flinke stap achteruit doen uit de dagelijkse praktijk om ons eens anders naar ons eigen veld te laten kijken.

democratische driehoekLucas – als oud-inwoner van Prins Alexander mogen wij hem vast wel zo noemen – begint bij de “civil society”, de ruimte die burgers zelf hebben, krijgen, maken en soms bevechten om zelf vorm te geven aan de samenleving. Waar duidelijk is dat de “overheid” – met wetten, beleid, regelgeving, belasting, subsidie – een zwaar stempel drukt op de samenleving en waar net zo duidelijk is dat de “markt” – met bedrijfsleven, winst, welvaart, werkgelegenheid, grondstoffengebruik – onze samenleving beïnvloedt, doen burgers dat natuurlijk zelf ook – met verenigingsleven, wereldverbetering, alledaagse solidariteit, belangenbehartiging. Ze doen dat dan niet zozeer als individu, maar als ‘burgers samen’. Al die vrijwillige verbanden van burgers kun je samenvatten als de “civil society”. Als individuele burger zul je dus te maken krijgen met drie “partijen”: met de overheid, met de markt en met de civil society: verenigingen, stichtingen en – heel modern – burger-initiatieven. De maatschappij in een notendop.

Even terzijde: burgers als individuen hun eigen problemen op laten lossen en dat dan “civil society” noemen kan dus echt niet. De nadruk op zelfredzaamheid – op zichzelf best nastrevenswaardig – als oplossing bij bezuinigingen gaat juist voorbij aan het feit dat burgers zich organiseren juist omdat veel problemen makkelijker op te lossen zijn door samen te werken. Markt, overheid en de individuele burger als consument/cliënt komen er samen echt niet meer uit. Tegenwerpen dat niet iedereen zich zo goed kan organiseren gaat dan weer voorbij aan de constatering dat mensen in de praktijk van alledag veel meer solidariteit met elkaar kunnen opbrengen dan nu vaak gedacht. Het draait dus allemaal om mede-redzaamheid.

Terug naar Filantropie in Nederland: in de civil society gelden andere regels dan bij de overheid, waar iedereen meebetaalt via belastingen, waar subsidies op basis van democratische besluiten worden verstrekt en uiteindelijk naar iedereen moeten worden verantwoord. De regels zijn ook anders dan bij de markt: daar geldt dat iedereen die het kan betalen, mee kan doen. In de civil society besluiten mensen vrijwillig of ze mee willen doen, waaraan en hoe dan wel. Die eigen regels maken de civil society zo krachtig als aanvulling op en als tegenwicht tegen de beide andere delen: het werkt er gewoon allemaal anders en dat maakt andere dingen mogelijk.

Als onafhankelijk maatschappelijk segment heeft de civil society zijn eigen “energiebron”, filantropie genoemd. Filantropie valt dus ook zeker niet samen met de civil society. Filantropie is de grondstof waarmee de civil society werkt om dingen voor elkaar te krijgen. Filantropie in traditionele zin betekent “menslievendheid”, iets wat nogal eens associaties opriep van te rijke mensen die gul geld gaven aan hun maatschappelijke hobby’s. Die associatie is niet meer van deze tijd. Met het veranderen van de samenleving is ook het denken over filantropie veranderd. We willen – en kunnen – niet meer terug naar “liefdadigheid”.

Onder filantropie wordt tegenwoordig verstaan: private activiteiten voor publieke doelen. Mensen ontplooien als burgers, onafhankelijk van markt en overheid, activiteiten waar iedereen beter van wordt. Die filantropie komt tot uiting in twee aspecten: menskracht en geld. De menskracht wordt geleverd in de vorm van vrijwilligerswerk, het geld door particuliere giften. Veel burgers geven dus, ofwel in de vorm van uren ofwel in de vorm van geld. Filantropie is dus tegenwoordig zowel de collectant die langs de deuren gaat voor het Longfonds, als de gever die een beetje van zijn eigen geld in de collectebus stopt. Beiden doen dat vrijwillig omdat ze de activiteiten van het Longfonds belangrijk vinden en die activiteiten daarom graag ondersteunen. Tientje voor tientje, uur na uur wordt zo het verschil voor al die patiënten gemaakt. Burgers samen.

Filantropie is dus iets heel anders dan subsidie: over subsidie wordt door de overheid beslist op basis van beleid en van democratische regels en verantwoording. Over filantropie gaan alleen burgers zelf: als genoeg burgers iets belangrijk vinden kunnen ze het – in principe – gewoon zelf regelen, met vrijwilligerswerk en ook met geld. In plaats van wachten op een overheid  die het niet snapt (vanwege een ander perspectief) of het niet snel genoeg kan (vanwege trage beleids- of besluitvorming) of het gewoon niet goed kan (vanwege eisen die maatwerk onmogelijk maken) nemen burgers zelf het initiatief. Makkelijk? Nee, heel vaak niet, maar mogelijk is het wel. En naar het zich nu aan laat zien, ook steeds noodzakelijker.

Nederland lijkt op het gebied van de filantropie een beetje een scheefgroei te hebben doorgemaakt: het vrijwilligersdeel staat er goed voor, het geld-gedeelte heeft tot nu toe veel minder aandacht gekregen. Nu leveren de collectebus en de maandelijkse overschrijving ook zeker niet als enige het geld voor de civil society. De Nederlandse overheid heeft altijd ruimhartig subsidies verstrekt aan ons veld. Met het schrikbeeld van een terugtrekkende overheid voor ogen ontdekken we nu dat we echt aandacht moeten gaan besteden aan de ontwikkeling van het geefgeld-gedeelte.

Voor alleen een pas op de plaats zouden verminderende subsidies ongeveer moeten worden gecompenseerd door hogere filantropische inkomsten. Voor echte groei moet er nog veel meer gebeuren. Deze publicatie komt daarom dus op een goed moment.

Vorige post volgende.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

(N)iets nieuws onder de zon

dinsdag, 24 juni, 2014 om 20:44
Geplaatst door Rolf

Filantropie in NederlandDe participatiesamenleving (nee echt, participatiemaatschappij is fout, dat is iets heel anders) begon echt niet met de troonrede in 2013. De discussie erover natuurlijk wel. Hoewel, discussie? Veel werk dat nu al door vrijwilligers – burgers, mensen – wordt gedaan, wordt onder het tapijt geveegd want “de participatiesamenleving is gewoon een excuus voor bezuinigen”. Tegenstanders lijken nog steeds uit te gaan van een samenleving waarin overheid en markt – al dan niet met de burger als individu – alles wel voor elkaar kunnen krijgen. Burgers die samen, onafhankelijk van of juist in samenwerking met overheid en markt, iets voor elkaar gedaan krijgen ontbreken nog veel te vaak in de analyses.

Aan de andere kant lijkt burgerkracht ook wel “de oplossing voor alles”. Juichende verhalen over slimme nieuwe initiatieven en experimenten – omarmd door een overheid die de inzet van burgers wel even zal gaan regisseren – leiden ook daar af van alles wat er nu al door burgers samen wordt bereikt. Niet kijken naar wat er al is, maar vooruit vluchten in het nieuwe, in het experiment – het 293e buurthuis in zelfbeheer – suggereren dat alles opnieuw moet worden ontwikkeld, het liefst binnen het veilige kader van een “participatieleidraad”, aangereikt door de overheid. Wat al bewezen heeft te werken verdwijnt zo uit het zicht. Nieuw is blijkbaar stuurbaar, plooibaar, inpasbaar in beleid.

De participatiesamenleving is niets nieuws. We doen – als burgers, als mensen – heel veel samen en hebben dat ook altijd al gedaan. Vrijwilligerswerk, burgerkracht, filantropie, het is letterlijk van alle tijden, en het is zeker ouder dan “overheid” of “markt”. Al langer dan we ons realiseren helpen mensen elkaar. Margaret Mead – cultureel antropologe van wereldfaam – beschouwde de vondst van een geheeld maar ooit gebroken dijbeen bij een prehistorische opgraving als een indicatie van het vinden van beschaving: alleen met hulp van anderen zou een mens die breuk in het verre verleden hebben kunnen overleven. We waren en zijn van nature solidair met elkaar: slechts de vormen waarin die solidariteit zich uit, veranderen.

Tussen de mensen die vrijwilligerswerk neerzetten als schaamlapje voor neoliberaal beleid en hun tegenstanders die het zien als een wondermiddel gaapt een groot gat. Een congres op 19 juni 2014 in Rotterdam gaf en een daar gepresenteerd boek – Filantropie in Nederland – geeft een stevige aanzet om dat vacuüm te vullen met substantie. Op initiatief van NOV en Gilde heeft de Stichting Maatschappij en Onderneming een goed getimede publicatie verzorgd die een overzicht geeft van waar “we” op het moment staan: wat speelt er nu eigenlijk in de civil society, in het vrijwilligerswerk? Hoeveel geefgeld gaat er jaarlijks om in Nederland en hoe kijken we tegenwoordig naar het begrip filantropie? Hoe werkt “privaat Nederland” eigenlijk voor de publieke zaak?

Maar het alleen beschrijven van de stand van zaken – hoe noodzakelijk ook omdat die nogal eens wordt weggemoffeld – zou onvoldoende richting geven aan de discussie. Wat zijn de uitdagingen waar we voor staan? Hoe kunnen al die vormen van private inzet bijdragen aan het grotere geheel? Hoe stemmen we ze op elkaar af? Hoe optimaliseren we de bijdrage van burgers naast die van overheid en markt? Allemaal relevante vragen voor de inrichting van de participatiesamenleving, een samenleving waarin ‘burgers samen’ vorm geven aan solidariteit, op een moderne, bijdehante en zelfbewuste manier.

Op basis van bestaand wetenschappelijk werk en speciaal voor deze bundel geschreven beschouwingen wordt in Filantropie in Nederland een beeld geschetst dat uitgangspunt kan zijn voor de echte zoektocht: hoe geven we de filantropie – de private actie van burgers en bedrijven voor de publieke zaak – de plaats waar deze het meest tot zijn recht komt? Net doen of het er niet is of veronderstellen dat het alles kan, kan in elk geval niet meer. Dat levert niets op behalve verwarring en die is er al genoeg.

Burgers kunnen samen veel, maar niet alles. Wat we wel samen kunnen, laten we daar maar eens op basis van recente inzichten met elkaar over praten. Op OnsAlexander volgt hiervoor een reeks besprekingen van de hoofdpunten. De volgende post vindt u hier.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Ondersteuning van vrijwilligers en informele helpers

donderdag, 17 april, 2014 om 15:42
Geplaatst door Rolf

In het onderzoek van de gemeente Rotterdam naar de stand van zaken in het vrijwilligerswerk in 2013 is ook gevraagd aan vrijwilligers (georganiseerd werk in vereniging of stichting) en informele helpers (ongeorganiseerd werk, vrienden-, burenhulp) of ze het gevoel hadden voldoende ondersteund te worden. De vraag is erg algemeen gesteld en daarmee wat lastig: voor vrijwilligers kan de vraag nog worden uitgelegd als “krijgt u voldoende ondersteuning vanuit uw organisatie”, maar dat wordt voor informele helpers natuurlijk lastig: wie zou moeten helpen als je een boodschap doet voor de zieke buurvrouw?

Toch nemen we de resultaten maar even onder loep:Schermafbeelding 2014-04-17 om 15.34.30

Allereerst lijkt het erop dat informele helpers en vrijwilligers zelfstandiger zijn gaan functioneren. De categorie die aanvinkt “ondersteuning is niet nodig” of “niet van toepassing” groeit in beide soorten onbetaald werk tussen 2011 en 2013. Op zich natuurlijk een goede ontwikkeling. Duidelijk wordt dat informele helpers ook vaker vinden dat ondersteuning niet nodig is. Gezien de aard van het werk niet vreemd.

Een groeiend deel van zowel informele helpers als vrijwilligers wordt naar eigen beoordeling helemaal niet ondersteund. Beide groepen zijn relatief klein, maar verdubbelen wel in omvang tussen 2011 en 2013. Voor een vrijwilligersorganisatie zou dit een duidelijk signaal moeten zijn, maar voor informele helpers is het wat moeilijker uit te leggen. Van wie verwacht men dan hulp of ondersteuning? Het zou kunnen zijn dat een informele helper hier aanloopt tegen andere partijen die zich moeilijk in laten schakelen bij hulpverlening. Ik zou me voor kunnen stellen dat je als buurvrouw niet in gesprek komt met de huisarts of de woningcoöperatie als je ziet dat er iets mis is met een buurman.

De groep die te weinig wordt ondersteund blijft vrijwel gelijk. Samen met de mensen die helemaal niet worden ondersteund praten we dan over 15% van de informele helpers en vrijwilligers. Op zich nog steeds een slok op een borrel.

Dat het aantal vrijwilligers dat voldoende wordt ondersteund sterk daalt heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat die ondersteuning minder nodig wordt gevonden.

Al met al geen grote problemen dus, maar er is toch een kleine en groeiende groep vrijwilligers die het gevoel heeft in het diepe gegooid te worden. Allemaal toch maar even blijven opletten dus.

Bron: Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2013. Drs. Paul A. de Graaf, Onderzoek en Business Intelligence, januari 2014. Onderzoek in opdracht van Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, Directie Activering en Welzijn, Afdeling Ontwikkeling en Beleid van de gemeente Rotterdam.

Betaal genoeg of betaal helemaal niet!

vrijdag, 4 april, 2014 om 12:58
Geplaatst door Rolf

In een vorige post beschreef ik een onderzoek van Gneezy en Rustichini dat liet zien dat financiële prikkels en gedragsverandering niet altijd zo samenhangen als je in eerste instantie zou verwachten. Een boete zorgde daar voor een toename van ongewenst gedrag. Dat was een boete. Hoe zou het dan zitten met beloningen?

De conventionele economische wijsheid is dat een hogere beloning een hogere inzet geeft en daarmee een beter resultaat. Psychologen – met name cognitieve – waarschuwen nog wel eens dat belonen ten koste kan gaan van de intrinsieke motivatie en daarmee van de inzet en van het uiteindelijke resultaat. Gneezy en Rustichini onderzochten dit vraagstuk met een aantal elegante experimenten.

De experimenten
In hun eerste experiment – weer in Israel – vroegen ze 160 studenten, verdeeld over 4 groepen van 40 elk, om 50 vragen te beantwoorden. De vragen waren zo uitgezocht dat de studenten inzet moesten tonen om ze te beantwoorden – rekenen of redeneren dus, geen weetjes. Bij de eerste groep werd beloning überhaupt niet genoemd, de tweede kreeg 0,1 NIS (de Israëlische munteenheid) per goed beantwoorde vraag, de derde 1 NIS en de laatste 3 NIS. De resultaten waren als volgt:

gneezy pay enough 1

Uit de drie laatste kolommen wordt duidelijk dat je, als je een hogere beloning geeft, grosso modo meer vragen goed beantwoord krijgt. Het gekke is alleen dat je in de situatie waarin er helemaal geen sprake is van een beloning, een betere prestatie krijgt dan bij de lage beloning. Economen lijken dus gelijk te hebben- meer belonen werkt beter -, maar ook de pyschologen: een lage beloning geeft slechtere resultaten dan helemaal geen beloning.

In een tweede experiment – ook in Israël – werden 180 scholieren, die gingen collecteren tijdens een landelijk bekende collecteweek voor een goed doel, verdeeld over drie verschillende behandelingen. Eén deel kreeg alleen te horen dat hun resultaten gepubliceerd zouden worden, een tweede dat ze naast publicatie ook 1% van hun eigen opbrengst extra zouden krijgen, en een derde dat ze naast publicatie 10% van hun eigen opbrengst mee zouden krijgen. De extra inkomsten gingen niet af van die van de collecte, maar werden betaald door de onderzoekers. De collecte-opzet was zo uitgedacht dat het weer de inzet was, het “loopvermogen”, dat bepalend zou zijn voor de uitkomsten en zo weinig mogelijk de kwaliteit van het “praatje” aan de deur. De resultaten waren als volgt:

gneezy pay enough 2

Ook in dit experiment werd duidelijk dat geen betaling betere resultaten geeft dan lage betaling – en zelfs betere dan de hogere betaling.

Gneezy en Rustichini onderzochten met een derde experiment verder nog of mensen zich wel realiseren dat dit effect optreedt: zowel bij het vragen-experiment als bij het collecte-experiment werd aan weer andere proefpersonen – zogenaamd “managers” van de mensen die proefpersoon waren in de echte experimenten –  gevraagd om een beloningssysteem voor hun “ondergeschikten” te kiezen.
De managers zouden 1 NIS krijgen voor elk goed antwoord van hun ondergeschikten in het vragen-experiment resp. 5% van de opbrengst van hun ondergeschikten in het collecte-experiment. Ze hadden er dus alle belang bij om het beste beloningssysteem te kiezen.

Bij het vragen-experiment mocht worden gekozen tussen geen beloning of  10 cent per goed antwoord. In het vragen-experiment koos 87% van de managers – die het geld voor de proefpersonen uit hun eigen opbrengst moesten betalen – voor de 10 cent optie.  Ze zaten zichzelf dus dubbel dwars: ze namen de keuze die een lagere score veroorzaakte en ze moesten het nog zelf betalen ook. Dat gold ook voor de 76% van de “managers” die in het collecte-experiment koos voor een beloning van 1% voor hun collectanten: zij kregen minder geld met hun keuze en moesten dat nog zelf betalen ook. In beide gevallen was de keuze voor “onbetaald” dus – dubbel – lucratiever geweest. Dat onbetaald dus beter werkt dan laag betaald – tot een bepaalde hoogte althans – zit ons dus nog niet echt tussen de oren.

De conclusie:
Geen beloning werkt blijkbaar beter dan een kleine beloning. Economen hebben nog steeds gelijk in de zin dat een hogere beloning betere resultaten geeft – als je een beloning geeft; maar psychologen ook, want geen beloning is beter dan een lage beloning. De verklaring van Gneezy en Rustichini is – net als in de vorige post – dat het noemen of ter sprake brengen van de beloning het spel verandert: zonder beloning is er meer sprake van een contract dat wordt geïnterpreteerd als een sociaal contract; na het introduceren van de beloning is er sprake van een meer financieel contract. In het eerste geval blijken mensen zich dus meer in te zetten dan bij de lager betalende varianten van het financiële contract. Betaal je steeds meer, dan gaan de resultaten ook omhoog, tot je op een gegeven moment boven het “onbetaalde” niveau komt. De auteurs vatten hun artikel dus ook weer netjes samen in de titel: “pay enough or don’t pay at all”.
Vrijwilligerswerk (sociaal contract) is dus echt iets anders dan “werken tegen een beloning van € 0,-” (financieel contract).

De literatuur:
Uri Gneezy, Aldo Rustichini. Pay enough or don’t pay at all. The Quarterly Journal of Economics, 2000. Onder meer te vinden via deze link.

Waar halen we in 2014 nog vrijwilligers vandaan?

donderdag, 3 april, 2014 om 22:11
Geplaatst door Rolf

In Rotterdam is het aantal vrijwilligers tussen 2011 en 2013 gestegen van 155.000 naar 175.000. Toch lijkt het nog zo te zijn dat iedereen op zoek is naar “de laatste vrijwilliger”. Uit onderzoek blijkt dat met name de zorg om vrijwilligers verlegen zit en ook dat bestuursleden moeilijk te vinden zijn.  Hoe zit het nou met het reservoir aan mensen die nog geen vrijwilligerswerk doen, maar het in principe wel zouden willen?

In het tweejaarlijkse onderzoek van Paul de Graaf van het OBI werd ook de afgelopen keer weer gevraagd aan vrijwilligers of ze nog meer vrijwilligerswerk zouden willen gaan doen en aan niet-vrijwilligers of ze met vrijwilligerswerk zouden willen beginnen.

extravrijwilligers

Net als in 2011 wil 26% van de vrijwilligers nog wel wat meer vrijwilligerswerk gaan doen. Dat zijn ruim 45.000 vrijwilligers, die er nog wel een tandje bij willen zetten. Na een dipje in 2009 lijkt dit aantal zich te stabiliseren. Omdat het aantal vrijwilligers groeit, neemt ook het aantal vrijwilligers dat nog weer werk wil gaan doen ook toe. Het mooie van deze groep is dat we die al “in huis” hebben. Geen brede en dure campagnes nodig, alleen je bestaande vrijwilligers vragen of ze nog meer zouden willen gaan doen.

Van de niet-vrijwilligers wil 15% vrijwilligerswerk gaan doen als het ze zou worden gevraagd. Ook hier ligt dus nog een potentieel van ongeveer 50.000 mensen. Deze mensen kennen we alleen nog niet en we moeten ze “buiten” gaan zoeken. Nu is de groep zo groot dat we ze niet kunnen laten liggen, wat betekent dat er aandacht moet zijn voor werving van mensen die nu nog geen vrijwilligerswerk doen.

Uit deze cijfers komt wel naar voren dat we goed moeten blijven nadenken over waar de energie en het geld naar toe gaan. Gaan die helemaal naar buiten toe, naar het schieten met hagel om nieuwe vrijwilligers te vinden, of gaan we ook rekening houden met de mensen die we al in huis hebben? Volgens mij zijn de kosten van het bereiken van bestaande vrijwilligers veel lager.

Als we dan toch buiten op zoek gaan, naar wie moeten we dan zoeken?

potentieleaanwas

De tabel is wat lastiger te begrijpen omdat je alles moet relateren aan de laatste kolom, met daarin de mate waarin een bepaalde groep voorkomt in de enquête. Van de mannen wil 43% van de niet-vrijwilligers wel vrijwilligerswerk gaan doen, terwijl 47% van de deelnemers aan het onderzoek man zijn. Van de vrouwen die nog geen vrijwilligerswerk doen wil 57% dat wel gaan doen, terwijl vrouwen 53% van de respondenten waren. Conclusie: vrouwen zijn nog wat eerder bereid vrijwilligerswerk te gaan – als ze het nog niet deden – dan mannen. Paul de Graaf concludeert dan ook:

De groep die nu nog niet aan vrijwilligerswerk doet maar daar wel in geïnteresseerd zou kunnen zijn, lijkt, ook ten opzichte van de huidige vrijwilligerspopulatie, relatief wat meer uit vrouwen, Rotterdammers van 25 tot 45 jaar en niet-westerse allochtonen te bestaan. Boven de 45 (dus ook bij gepensioneerden), bij laag opgeleiden en bij (echt-)paren met kinderen lijkt de animo beduidend geringer. Relatief bevinden zich ook wat meer mensen met een uitkering in deze potentiële aanwas; wellicht voelen zij de drang tot een maatschappelijke tegenprestatie al aankomen…

Hou dus relatief jonge, niet westers-allochtone vrouwen als doelgroep voor ogen als je “buiten” wilt gaan werven. Je zou dan meer waar voor je geld moeten krijgen dan wanneer je willekeurig mikt.

Bron: Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2013. Drs. Paul A. de Graaf, Onderzoek en Business Intelligence, januari 2014. Onderzoek in opdracht van Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, Directie Activering en Welzijn, Afdeling Ontwikkeling en Beleid van de gemeente Rotterdam.