Een kleine anatomie van de civil society

dinsdag, 8 juli, 2014 om 13:19

democratische driehoekIn Filantropie in Nederland geeft Lucas Meijs in zijn introductie een korte schets van wat wordt verstaan onder de civil society. Omdat het verhaal van de civil society niet vaak genoeg verteld kan worden in een tijd waarin het lijkt alsof alles draait om de overheid, de markt en de burger als individu, volgen hieronder wat cruciale punten: een kleine anatomie van de onderlinge verbanden tussen burgers. Lees het boek als je meer wilt dan de onderstaande “civil society for dummies”.

Het grote plaatje: een samenleving bestaat uit drie onderdelen: overheid, bedrijfsleven en civil society. Ze leveren allemaal hun aandeel aan die samenleving, zijn alle drie nodig en ze hebben alle drie hun sterke en zwakke punten. Alleen samen en in evenwicht is het een sterk bouwsel. Wat behelst nou die civil society?

Je kunt dan kijken naar de functies die er door worden uitgevoerd:

  • onderlinge hulp en solidariteit: burgers kunnen en mogen zich verenigen om samen iets te verwezenlijken. Los van de overheid en zonder winstoogmerk samen doen wat je belangrijk vindt.  Sporters zetten een sportclub op, patiënten een zelfhulpgroep, ouders een school. “Wij voor ons”, zeg maar. Sociale cohesie begint hier.
  • dienstverlening aan anderen: burgers  kunnen en mogen hulp aan of diensten voor anderen organiseren. Met name als de overheid niet kan of de markt niet wil, stappen burgers – niet als individu, maar samen – in. Ook weer los van de overheid en zonder winstoogmerk. Gewoon omdat ze dat menselijk vinden. “Wij voor hen”, om het in het kort te zeggen.
  • stem geven aan verontwaardiging. De wereld kan altijd beter, er zullen altijd misstanden blijven en samen proberen een ideaal gerealiseerd te krijgen begint vrijwel altijd met burgers die iets aan de kaak stellen en actie ondernemen. Overheid en markt krijgen zo bij misstanden een onafhankelijk tegengeluid. “Wij voor de wereld”.

Waar de overheid en de markt niet willen of kunnen, kunnen burgers samen vaak wel iets voor elkaar krijgen. Op deze manier gebeurt er dus veel dat anders zou blijven liggen omdat het niet in het beleid past of geen winst oplevert. Zo bekeken repareert de civil society dus de tekortkomingen van de overheid en de markt. Dat neemt niet weg dat er vaak – meestal – ook innig wordt samengewerkt tussen overheid en civil society en tussen markt en civil society.

De drie functies van de civil society laten zich mooi vertalen naar drie typen organisaties. Dat zijn dan wel pure – ideale – types, want in de praktijk loopt een en ander nogal eens door elkaar heen.  Zo zijn er dus de “onderlinge” organisaties (veelal verenigingen), de “dienstverlenende” organisaties en de “actie-organisaties’.  In de praktijk zal een bepaalde organisatie vaak wel kenmerken van twee of zelfs drie typen hebben.

Die indeling is handig. Omdat er zoveel verschillende soorten organisaties zijn (sport, cultuur, hulp, onderwijs, armoede, natuur etc.) is het moeilijk om te zien wat ze gemeenschappelijk hebben en waarin ze verschillen. Door de indeling van hierboven toe te passen zie je dat een speeltuin en een sportvereniging als “onderlingen” veel op elkaar lijken. Een voedselbank, Dress for Success en schuldhulpmaatjes hebben als “dienstverleners” meer met elkaar gemeen dan alleen het thema armoede.

Een ander voordeel van de indeling: een club die zich ontwikkelt van een “onderlinge” naar een “dienstverlener” moet echt een nieuw kunstje leren. De routines, gewoonten en reflexen van een onderlinge zijn anders dan die van een dienstverlener. Mocht je je als bestuurslid afvragen waarom zo’n proces nou zo moeilijk verloopt: je bent echt bezig de aard van de organisatie te veranderen. Vrijwilligerswerk in een “onderlinge” heeft echt een andere lading dan in een “dienstverlener”.

Nog iets handigs: als de overheid al praat over de civil society, dan doet ze dat vaak in termen van de Wmo. Als de burger als individu iets moet doen of moet regelen, dan is dat eigenlijk niet iets voor de civil society. Als burgers samen iets moeten gaan doen, dan denkt de overheid daarbij vaak in eerste instantie aan “dienstverleners”. Voor een sterke civil society is de aanwezigheid van “onderlingen” – voor sociale cohesie – en actie-organisaties – voor tegenwicht – echter ook noodzakelijk. Steun en aandacht voor hen mag dus niet ontbreken.

Vorige post volgende.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Één reactie op “Een kleine anatomie van de civil society”

  1. […] Een kleine anatomie van de civil society […]


Reageer