Archief voor catergorie ‘informatief’

Het ‘Van Kan principe’

dinsdag, 29 december, 2015 om 12:38
Geplaatst door Rolf
Nico van Kan (toen nog werkzaam bij BAVO Europoort in Prins Alexander) heeft me in een grijs verleden eens met één opmerking een belangrijk verschil tussen de systeemwereld van de productie en de wereld van het vrijwilligerswerk uitgelegd. Zijn uitgangspunt was:
Als ik 5 vrijwilligers heb, doe ik 10 huisbezoeken. Heb ik 10 vrijwilligers, dan doe ik er 20. Zo heb ik nooit een gebrek aan vrijwilligers.
Nico snapt waar het om draait: je past je ‘productie’ aan aan je mogelijkheden, niet andersom. Meer vrijwilligers, meer productie. En heb je minder vrijwilligers, dan doe je gewoon minder. Niet volgen van dit principe levert van die gedrochten op waarbij eerst een target wordt gesteld en waar dan achteraf tegen heug en meug vrijwilligers bij gezocht moeten worden. En bij de evaluatie hoor je dan dat de vrijwilligers niet genoeg hebben gedaan..

Handballers zijn de nieuwe voetballers?

maandag, 12 oktober, 2015 om 11:14
Geplaatst door Rolf

Vrijwilligerswerk en informele hulp (en mantelzorg ook trouwens) zijn heel verschillende dingen. Vrijwilligerswerk vindt plaats in organisaties, informele hulp juist niet. Het lijkt er steeds meer op dat dit onderscheid in beleid en in de praktijk onder tafel wordt geveegd: alles wat vrijwillig gebeurt is vrijwilligerswerk. Wel zo makkelijk natuurlijk..

We zeggen van voetballers en handballers toch ook niet dat het balspelers zijn, en dat voetbal en handbal hetzelfde zijn omdat beide door balspelers worden gespeeld? Het zijn twee verschillende takken van sport, ondanks het feit dat beide spelletjes met een bal worden gespeeld.

Definities en begripsafbakening veranderen op zich niets aan de werkelijkheid, maar maken het elkaar begrijpen wel makkelijker. Gebruik ze dan daar ook voor, verdiep je erin en vermijd verwarring door slordig gebruik.

Op woensdag, 25 september, 2013 verscheen op OnsAlexander een blog onder de titel “Opheffen van een stichting of vereniging”. Op dit blog kwamen er vijf reacties. Een van deze reacties kwam van Evelien van de Kamp. Zij stelde vorig jaar naar aanleiding van het artikel twee vragen, die verband houden met de ontbinding en liquidatie van een stichting, namelijk:

  1. Kan een opheffing van een stichting belemmerd worden door het feit dat er bestuursvacatures zijn (al enkele jaren)?
  2. Kan het zijn dat een vroegere subsidiegever nog aanspraken kan maken op het overgebleven restant? “We krijgen al enkele jaren geen subsidie meer van gemeente of provincie”, zo stelt zij.

Een reactie op deze vragen van Evelien is helaas tot nu toe uitgebleven. Misschien is voor haar deze verlate reactie niet meer actueel. OnsAlexander vindt de vragen, vooral voor kleinere vrijwilligersorganisaties, stichtingen interessant. Zij kunnen in de praktijk met dezelfde vragen te maken krijgen. Dan is het voor hen goed om te weten hoe de zaken aan te pakken.Wij zijn geen deskundigen in deze materie. Onze reactie is dan ook beperkt. Daarom is ons advies: Raadpleeg de notaris voordat je tot het besluit tot ontbinding/opheffen van je stichting overgaat. Hij/zij kan je haarfijn uitleggen hoe in de situatie en omstandigheden van je stichting de ontbinding/opheffing het beste aangepakt kan worden.

 Om met de eerste vraag te beginnen. Deze is niet ditect met ja of nee te beantwoorden. Ze roept namelijk zelf andere vragen op zoals, zijn de bestuursvacatures ontstaan doordat bestuursleden zijn uitgetreden volgens een rooster van uittreden van bestuursleden? En zijn de uitgetreden bestuursleden ook uit het register van de Kamer van Koophandel uitgeschreven? Of zijn de bestuursvcatures ontstaan doordat bestuursleden langere tijd eenvoudig niet meer komen opdagen? Wat zeggen de stichtingsstatuten over het te nemen besluit de stichting te ontbinden/op te heffen?Afhankelijk van de antwoorden op deze vragen, zal de vraag of door het feit dat er bestuursvacatures zijn, de opheffing van de stichting kan worden belemmerd het best worden beantwoord.

Nu over de tweede vraag: Kan het zijn dat een vroegere subsidiegever nog aanspraken kan maken op het overgebleven restant? “We krijgen al enkele jaren geen subsidie meer van gemeente of provincie”, zo stelt zij.
We gaan er van uit dat deze vraag verband houdt met de eerste. Hiervoor moet gekeken worden naar de subsidievoorwaarden van de subsidiënt, gemeente, provincie of een bepaald fonds. (..) “al enkele jaren geen subsidie meer van de gemeente of provincie” zal het crirterium niet zijn. Wel of tot aan de ontbinding van de stichting aan de subsidievoorwaarden is voldaan waardoor er geen recht van de subsidiënt op terugvordering is ontstaan.

Voor wie het leuk vindt om eens in een wetboek te snuffelen, kan voor wat betreft de eerste vraag Boek 2 artikel 19 van het Burgerlijk Wetboek, Rechtspersonenrecht raadplegen.

 

Juan Jonas,
Redactielid

 

 

De Subsidieverordening 2014

dinsdag, 10 februari, 2015 om 00:29
Geplaatst door Juan Jonas

Subsidieverordening gemeente Rotterdam
SVR 2014 en SVR 2005 vergeleken.

Sinds januari 2014 geldt een nieuwe gemeentelijke subsidieregeling. Dit is de Subsidieverordening Rotterddam 2014, SVR 2014. De SVR 2014 vervangt de SVR 2005, die tot januari 2014 van kracht was. De praktijk vond de SVR 2005 onnodig ingewikkeld en moeilijk hanteerbaar. Er was een roep uit het werkveld, doorgaans van vrijwilligers(organisaties) om vereenvoudiging van het subsidieregime.
De grote vraag is, of de SVR 2014 de verwachte verbetering, vereenvoudiging van het subsidieregime heeft gebracht?

De Subsidieverordening
De subsidieverordening is het wettelijke kader waarbinnen het verstrekken van financiële middelen door de overheid aan particulieren (zowel rechtspersonen als natuurlijk personen) voor het ontplooien van activiteiten zich afspeelt. Overheid is in dit geval de lokale overheid, de gemeente Rotterdam. De gemeente Rotterdam pleegt haar subsidieverordening om de zoveel tijd aan te passen. Redenen om een verordening aan te passen kunnen zijn: veranderde wetgeving, beleid, bestuurlijke – of maatschappelijke verhoudingen en eisen van de praktijk. Zo is in 2005 de SVR 2005 in de plaats van VAS 2001 gekomen. En sinds januari 2014 is niet langer de SVR 2005, maar de SVR 2014 van kracht. Bij iedere nieuwe  subsidieverordening wordt vooral gestreefd naar vereenvoudiging van de subsidieregeling.
Een vergelijking van de SVR 2005 met haar voorganger kan hier achterwege blijven. Beide regelingen behoren nu immers tot de historie. Het gaat nu om de winst van de SVR 2014 ten opzichte van de SVR 2005.

De SVR2005 was ten opzichte van de VAS 2001 een totaal nieuwe subsidieregeling. Deze subsidieregeling bleek gaandeweg haar bestaan in praktijk niet te voldoen. Vooral subsidieaanvragers vonden haar ingewikkeld te hanteren: onder andere veel papierwerk en zware druk op de verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger. Deze zal maar een kleine vrijwilligersorganisatie of een actieve bewoner zijn! De roep om vereenvoudiging vanuit de praktijk werd steeds luider (1). Een reactie van zijde van de gemeente kon niet uitblijven. Beleidsmakers, ambtenaren en de politiek kwamen in beweging. Het resultaat werd de SVR 2014, die de knelpunten van de SVR 2005 in de praktijk moest wegnemen.

Wijzigingen, verbeterpunten
De belangrijkste wijzigingen in de huidige subsidieverordening SVR 2014 ten opzichte van de vorige, de SVR 2005, houden verband met (2):

- De subsidievormen
– De vermindering van de administratieve lastendruk
– De controle

De subsidievormen in de SVR 2005 waren de incidentele -, de structurele -, de exploitatie-, de investerings-, de prestatie- en de budgetsubsidie. Van al deze subsidievormen en begrippen zijn alleen de incidentele – en de structurele subsidie, weliswaar onder een andere naam, namelijk eenmalige subsidie en jaarlijkse subsidie, in de SVR 2014 terug te vinden.

In de SVR 2005 drukte op de subsidieontvanger een zware administratieve lastendruk. Zowel bij de aanvraag van de subsidie als bij de achteraf verantwoording van de ontvangen subsidie had men te kampen met een enorme administratieve rompslomp en bureaucratie. De administratieve lastendruk is voor de subsidieontvanger in de SVR 2014 sterk verminderd. Dit was trouwens een uitgangspunt van deze nieuwe subsidieverordening, naast de leesbaarheid en de uitvoerbaarheid.

Tegenover de vereenvoudiging van de subsidieregels en een versoepeling van het verantwoordingsregime voor kleinere subsidies en de mogelijkheid voor maatwerk staat een stevige controle vooraf. Dit is onder andere te merken aan de uitgebreide weigeringsgronden die de subsidieverstrekker ter beschikking heeft. Daarnaast heeft de subsidieontvanger zelf een eigen verantwoordelijkheid. De subsidieontvanger dient zelf actief met de subsidieverstrekker contact op te nemen, wanneer doelstellingen niet of niet geheel worden gehaald. De subsidieverstrekker (gemeente, gebiedscommissie) heeft de mogelijkheid zelfs na vaststelling van een subsidie alsnog aanvullende stukken op te vragen bij de subsidieontvanger. Als dan blijkt dat niet aan de subsidievoorwaarden en of verplichtingen is voldaan, kan de vaststellingsbeschikking achteraf worden ingetrokken en het bedrag worden teruggevorderd.

De hierboven aangehaalde wijzigingen geven tevens de beoogde verbeteringen in de SVR 2014 ten opzichte van de SVR 2005 aan. Hierdoor is getracht oplossingen voor de knelpunten in het functioneren van de oude SVR in de praktijk te vinden. Als men kijkt naar de verbeterpunten in de SVR 2014, dan zou de conclusie kunnen luiden dat men in die opzet is geslaagd. Een evaluatie van de praktijk van de SVR 2014 na verloop van tijd, kan hierover een beter oordeel geven.

door Juan

(1) Zo is in 2011 vanuit het vrijwilligerswerkveld “Regelgeving Ontwaaiert!, Onderzoek naar regelgeving in het Rotterdamse vrijwilligerswerk, inZ, 2011″, met aanbevelingen over o.m vereenvoudiging van de subsidieregeling, tijdens een conferentie in het stadhuis aan de wethouder aangeboden
(2) SVR 2005; (Artikelgewijze) Toelichting bij de Subsidieverordening 2005;
SVR 2014; (Artikelgewijze) Toelichting Subsidieverordening 2014.

Evenementenvergunning aanvragen

woensdag, 3 december, 2014 om 17:22
Geplaatst door Juan Jonas

Voor het organiseren van een aantal specifieke activiteiten heeft men een vergunning nodig. Dit is de evenementenvergunning. Belangrijk voor openluchtactiviteiten zoals, muziekfestivals en kunstmanifestaties. Voor welke activiteiten is een vergunning vereist? Hoe vraag je een evenementenvergunning aan en aan welke voorwaarden moet je voldoen?
Dit artikel richt zich op vooral kleine lokale vrijwilligersorganisaties en wijkbewoners, die als groep of individueel een evenement willen organiseren.

Evenement
Evenementen zijn er in vele soorten en maten. De gemeente Rotterdam deelt de evenementen in vier categorieën in. Deze worden in de nota in een overzichtstabel weergegeven. Onderstaande tabel is daaruit overgenomen.

Indeling naar categorie evenement.Schermafbeelding 2014-10-30 om 11.17.39 Aan het organiseren van een evenement kunnen risico’s verbonden zijn. De indeling van de evenementen in categorieën hangt samen met het geschatte risicogehalte van de activiteit. Dit is de mate van risico op het gebied van openbare orde en veiligheid, de impact op de stad en eventuele gevolgen voor het verkeer.

Evenementen trekken vaak veel publiek en vereisen speciale maatregelen, zoals het afsluiten van een straat. Daarom vindt de gemeente het belangrijk om vooraf te beoordelen wat er geregeld moet worden om een evenement veilig en goed te laten verlopen. 
Zoals uit de tabel blijkt (zie hierboven) worden evenementen onderscheiden in 0-, A-, B- en C-evenementen. De B- en C-evenementen zijn grootschaliger en hebben een hoger risico-gehalte. Zij worden vaak door professionals georganiseerd. Daar staat meestal een hele organisatie achter.
Het risicoprofiel van 0- en A-evenementen wordt wat lager geschat. Activiteiten die onder deze twee categorieën vallen worden vaker door wijkbewoners of (vrijwilligers)organisaties, ook in de sector kunst en cultuur, georganiseerd. Daarom beperkt dit artikel zich verder tot deze twee categorie evenementen.

0-evenementen
Voor de 0-evenementen, ook wel kennisgevingsevenementen genoemd, is geen vergunning vereist. Dit zijn kleinschalige evenementen, zoals straatfeesten, barbecue in de buitenruimte, Men kan volstaan met een kennisgeving aan de burgemeester, die de toestemming wel of niet verleent. De toestemming wordt feitelijk namens de burgemeester verleend. Tot de (deel)gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 2014 gebeurde dit door de deelgemeentesecretaris. Sinds de komst van de gebiedscommissie na die verkiezingen wordt de toestemming door de gebiedsdirecteur van het gebied in mandaat verleend.
Voor evenementen die in het centrumgebied en/of in meerdere gebieden plaatsvinden, moet de kennisgeving worden ingediend bij de directie Veilig van de gemeente Rotterdam. Wanneer de organisator van de burgemeester een ontvangstbevestiging heeft ontvangen, is de kennisgeving afgerond en kan men aan de slag.
De organisator kan zijn/haar evenement digitaal aanmelden via Mijn Loket. Beschikt men niet over internet, dan kan men een aanmeldingsformulier bij de gemeente halen. De aanmelding moet uiterlijk 5 dagen voorafgaande aan het evenement bij de gebiedsdirecteur van het gebied waar het evenement plaatsvindt, zijn ingediend. Met deze aanmelding is voldaan aan de kennisgeving die vereist is voor het organiseren van een 0-evenement.

DiGiD en e-Herkenning
Wil je als burger (natuurlijk persoon) een evenement digitaal aanmelden dan moet je beschikken over een DiGiD. Doe je dit als rechtspersoon, zoals een (vrijwilligers)organisatie in stichting- of verenigingsvorm, dan moet je over een e-Herkenning beschikken. DiGiD en e-Herkenning staan voor Digitaal Identiteit. Zij dienen als legitimatiemiddel bij het regelen van zaken met de overheid via internet. Men vindt alle informatie over DiGiD en e-Herkenning, en over de wijze waarop deze als gebruikersnaam en wachtwoord kunnen worden aangevraagd op de webpagina
http://www.rotterdam.nl/product:0 evenement van de gemeente Rotterdam.
Voor het schenken van alcohol moet men een ontheffing van de Drank- en Horecaweg (APV: art. 35) aanvragen. Dat is een onderdeel van de melding via Mijn Loket.

A-evenementen
Voor A-evenementen is wel een vergunning vereist. De vergunning voor een A-evenement wordt bij het gebied of bij de directie Veilig aangevraagd. 
In tegenstelling tot de melding van een 0-evement, zijn er aan de behandeling van een vergunningaanvraag wel kosten verbonden. De gemeente brengt voor de behandeling voor de vergunningaanvraag leges in rekening. Hier kan men naar informeren.

Aanvraagprocedure evenementenvergunning.
Vergunningen voor A-evenementen in een gebied moeten worden aangevraagd bij de het gebied. Voor overige evenementenvergunningen, in meerdere gebieden of in het centrum, kunnen organisatoren terecht bij de directie Veiligheid. Aldus de Nota Evenementenvergunningen.
De aanvraagprocedure bij een vergunning voor een A-evenement begint met het al dan niet digitaal invullen van het aanvraagformulier door de organisator. Belangrijk voor het in behandeling nemen van de aanvraag is dat deze volledig moet zijn. 
De indieningstermijn van een aanvraag voor een A-evenement bij het gebied is vier weken voor aanvang van het evenement. Voor de aanvraag bij de directie Veilig is deze termijn acht tot vier weken vóór het evenement.
De directie Veilig vraagt advies aan betrokken diensten en organisaties over de aanvraag en adviseert de burgemeester over de toekenning van de vergunning. De burgemeester is de instantie die op basis van de Algemeen Plaatselijke verordening (APV) de vergunning verleent of weigert. Voor A-evenementen in een gebied voert het gebied de regie in mandaat uit. Hier geeft de gebiedsdirecteur de vergunning namens de burgemeester af.
De burgemeester kan besluiten tot het verlenen of weigeren van de vergunning. Als de burgemeester de vergunning verleent, ontvangt de aanvrager een vergunning per post en/of per email. Weigert de burgemeester de vergunning te verlenen, dan ontvangt de aanvrager een schriftelijke weigering. Hiertegen kunnen belanghebbenden (niet alleen de aanvrager dus) binnen zes weken na verzending van het besluit, de weigering, een bezwaarschrift bij de burgemeester indienen. Hierna kan men eventueel in beroep.

Tot slot
In dit artikel is geprobeerd op hoofdlijnen evenementen, de evenementenvergunning en de aanvraag(procedure) daarvan uit te leggen. Dit voor zover van belang voor kleine lokale vrijwilligersorganisaties en wijkbewoners. Voor de inhoudelijke informatie is zoveel mogelijk de Nota Evenementenvergunningen gevolgd, waarnaar hier wordt verwezen. 
Oriënteer je op de site over evenementen, www.rotterdan.nl/evenementen, als je van plan bent een evenement te organiseren. Op de site/deze pagina vind je alle praktische informatie over evenementen en het gemeentelijk beleid hierop. Ook hier kun je een vergunning digitaal aanvragen, bezwaar maken of een klacht indienen en kun je zien welke evenementen ondertussen een vergunning hebben.

 

Door Juan,
met dank aan Rolf en Anneke

 

 

 

 

20.000 vrijwilligers, is dat veel?

dinsdag, 16 september, 2014 om 17:19
Geplaatst door Rolf

vijfsterrenIn Ons Alexander zijn we blij met ruim 20.000 vrijwilligers. Het deelnamepercentage vrijwilligerswerk ligt in de buurt van de 35% van de volwassen bevolking, voor een grote stad een mooi resultaat. Nu doen al die vrijwilligers niet allemaal evenveel: er zijn er een paar die heel veel doen, en veel die veel minder doen. Die scheve verdeling is al langer bekend en zou ons moeten doen realiseren dat het meer gaat om het aantal uren vrijwilligerswerk dat we beschikbaar hebben dan om het aantal vrijwilligers. We zouden echt voorzichtig moeten zijn met de harde werkers.

Maar wat zegt dat aantal van 20.000 vrijwilligers nu precies? Het is het aantal mensen dat – naar eigen zeggen – het afgelopen jaar vrijwilligerswerk heeft gedaan. Daarvan doen er dus relatief weinig veel, en relatief veel doen weinig. Sommige vrijwilligers werken bij wijze van spreken de hele dag door, anderen komen eenmaal per jaar eens kijken voor een klusje van een uurtje bij NLdoet. Van die fanatieke vrijwilliger weet je bijna zeker dat hij of zij ook nu actief is, van die NLdoet vrijwilligers weet je bijna zeker dat ie nu niet actief is. Hoeveel vrijwilligers zijn er nu op een willekeurig tijdstip actief? Op de fiets op weg naar een afspraak probeer ik me wel eens voor te stellen hoeveel anderen ook op dat precieze moment bezig zijn met vrijwilligerswerk.

Omdat we niet precies weten wie wanneer vrijwilligerswerk doet moet dat aantal worden geschat. Hieronder volgt een poging te schatten hoeveel mensen er op een willekeurig moment aan het vrijwilligerswerken zijn. Mocht het dan allemaal een beetje tegenzitten, dan weet je dat je op dat moment tenminste zoveel medestanders hebt.

Er wordt door het OBI geschat dat vrijwilligers in Rotterdam gemiddeld 3 uur per week vrijwilligerswerk doen. Wanneer er ‘s nachts een verwaarloosbaar klein deel vrijwilligerswerk wordt gedaan, is er grofweg 15 uur per dag beschikbaar waarin wel vrijwilligerswerk wordt gedaan. Als elke gemiddelde vrijwilliger een blokje van 3 uur vrijwilligerswerk achter elkaar zou doen, eenmaal per week (dan klopt het gemiddelde aantal uren per week), dan zouden we 5 verschillende gemiddelde vrijwilligers nodig hebben om een dag van 15 uur met vrijwilligerswerk te vullen. Per week zouden we dan 35 verschillende gemiddelde vrijwilligers met elk 3 uur nodig hebben. We gaan er dan gemakshalve maar van uit dat op alle dagen evenveel vrijwilligerswerk wordt gedaan.

Op die manier kun je schatten dat er 20.000/35 = 570 vrijwilligers – ongeveer – op een bepaald moment actief zijn.

Mocht je je dus op de fiets, bij regen en tegenwind, afvragen hoeveel andere vrijwilligers er op dat moment actief zijn voor een leukere samenleving, dan kun je je vasthouden aan een schatting van een kleine 600 in Ons Alexander. Als ze elkaar een hand geven en een ketting vormen wordt die ruim een kilometer lang. Is toch makkelijker voor te stellen dan 20.000.

Een lot uit de loterij

dinsdag, 2 september, 2014 om 16:53
Geplaatst door Rolf

Euro_banknotesVrijwilligersorganisaties hebben vrijwel altijd gebrek aan twee dingen: geld en vrijwilligers. Over hoe we met zijn allen met vrijwilligers omgaan volgt binnenkort wel weer een post, nu maar eens aandacht voor het geld. Elke bestuurder van een vrijwilligersorganisatie – echt niet alleen de penningmeester – zou zich moeten realiseren dat de organisatie duurzamer wordt als je de vuistregel volgt dat je minstens vijf verschillende inkomsten-bronnen zou moeten hebben, waarvan er geen één groter is dan 30% van je begroting. Nu zijn vuistregels maar vuistregels en is altijd maatwerk nodig, maar er zit wel wat in. In OnsAlexander hebben de Wijkbus, WION en Prinsenhof over dit principe kunnen leren van Lucas Meijs en Lonneke Roza van de Erasmus Universiteit. Maar ook stichting Kinderkleding Ruilen is bezig om de beschikbare inkomstenbronnen te verbreden. Met een loterij. Kan dat zomaar? Mag dat wel? Ja hoor, dat kan allemaal, onder een aantal niet al te lastige voorwaarden.

Voor een loterij moet je een vergunning hebben. De webpagina van de gemeente legt uit hoe het verder zit. Als de totale waarde van de te winnen prijzen lager is dan €4.500,-, is het genoeg om toestemming aan te vragen bij Directie Veiligheid/Team Vergunningen, Postbus 70012, 3000 KP Rotterdam. Het aanvraagformulier vindt u hier. Mocht u de prijzen wat ambitieuzer hebben ingekocht (totale waarde groter dan € 4.500,-) dan zult u een vergunning aan moeten vragen bij het Ministerie van Justitie.

Als je een loterij organiseert kun je te maken krijgen met kansspelbelasting en daarmee met de Belastingdienst. Nuttige info ook op hun site. Er is veel te zeggen over de kansspelbelasting, maar het mooiste is dat wanneer de prijs lager is dan € 454, er geen kansspelbelasting hoeft te worden betaald. Voor de kleine loterij van Kinderkleding Ruilen zou dat dus geen probleem hoeven te zijn. Verder ontbreekt de bureaucratie natuurlijk ook niet: er moet wat administratie worden bijgehouden. Zie hier. Al met al valt het organiseren van een bescheiden loterij dus wel mee. Schiet het lekker op met het vergroten van het aantal inkomstenbronnen.

Met dank aan de ECB voor het plaatje van de eurobiljetten.

Teams en pakjes boter

zaterdag, 12 juli, 2014 om 17:26
Geplaatst door Rolf

teamsuccesIn de participatiesamenleving wordt veel verwacht van vrijwilligers. Vaak wordt dan bedoeld: van individuele burgers die iets gaan doen voor een andere individuele burger. Dat heet met een mooie term ook wel informele hulp, want de hulp wordt niet in “georganiseerd verband” geleverd. Sluit natuurlijk naadloos aan bij het wereldbeeld dat er niet meer is dan de overheid, de markt en de individuele burger (het liefst als consument of client). Helemaal verwarrend wordt het als de overheid in beleidsnota’s vrijwilligerswerk “informele hulp” gaat noemen, omdat alleen het werk van professionals “formeel” zou zijn. Opletten blijft nodig bij het lezen en eigenlijk zou elke nota een definitielijstje moeten hebben…

Toch zullen het voornamelijk organisaties van burgers zijn – vrijwilligerswerk wordt gedaan in vrijwilligersorganisaties – die het verschil zullen gaan maken. Wanneer slaat een vrijwilligersorganisatie nu een deuk in een pakje boter? Hoe zit het met de  “impact” van een vrijwilligersorganisatie? Daarover wordt niet alleen nagedacht bij het ECSP van onze eigen Erasmus Universiteit, maar ook op andere plaatsen. Nu is impact een bijzonder veelzijdig begrip en draait het bij veel onderzoek over impact ook voornamelijk om wat de organisatie precies doet: gaan we muskietennetten uitdelen of gaan we insecticiden inzetten? Hoe de organisatie is samengesteld en intern werkt krijgt veel minder aandacht. Uit onverwachte hoek komt nu versterking voor het laatste soort denken over impact van vrijwilligersorganisaties.

Twee wetenschappers op het gebied van complexiteit, Michael Klug en James P. Bagrow van de Universiteit van Vermont in de VS, schreven een artikel over de impact van pakweg 150.000 (!) teams die werken met GitHub. GitHub is een ontwikkel- en samenwerkingsomgeving voornamelijk voor ict-projecten, waarbij veel gegevens worden vastgelegd over de projecten zelf en de teamleden en hun gedrag. Met veel moderne ict, zoals dus GitHub, komen er bijna vanzelf steeds meer grootschalige gegevenssets beschikbaar die zich lenen voor sociaal wetenschappelijk onderzoek.

Een projectteam op GitHub bestaat uit vrijwilligers die samen werken aan het bereiken van een bepaald doel, meestal het ontwikkelen van een stuk software. Zo’n team zou je – door je oogharen – als een vrijwilligersorganisatie kunnen zien.

Klug en Bagrow zochten uit waar het succes van zo’n team van af hangt. Allereerst blijkt de grootte van het team er toe te doen: hoe groter, hoe succesvoller. Meer mensen hebben helpt dus gewoon. Maar er zit een addertje onder het gras dat ervaren vrijwilligers wel zullen weten te waarderen: hoe ongelijker het werk verdeeld is, hoe groter het succes. Het is de aanwezigheid van een harde kern, van mensen die een onevenredig groot deel van het werk op zich nemen, dat de doorslag geeft. Sterke trekkers die het overgrote deel van het werk doen, gesteund door een liefst zo groot mogelijke groep hand- en spandienstverleners is de kern voor succes. Ik denk niet dat dit besturen van goed draaiende vrijwilligersorganisaties vreemd in de oren zal klinken. Het eerlijk verdelen van het werk dat er ligt is dus niet het winnende recept…

Naast de teamgrootte en de onevenredige verdeling van het werk werd nog onderzocht of het verleden, de werkervaring van teamleden van belang is voor succes. Ook hier leuke – want onverwachte – resultaten. Omdat van teamleden in principe bekend is aan hoeveel en welke andere projecten ze eerder hebben gewerkt, kon worden onderzocht of en hoe teamsucces afhangt van die eerder opgedane ervaring.

Het hangt in ieder geval niet af van het aantal projecten dat teamleden in het verleden hebben gedaan. Jarenlange ervaring in een bepaald gebied telt dus niet echt. Wat wel veel uitmaakt is de diversiteit aan projecten die ze hebben gedaan. Hoe diverser de projecten van de teamleden in het verleden, hoe groter de kans op succes van het huidige team. Teamleden die elkaar kennen van eerdere projecten, die een routine in samenwerken zouden kunnen hebben ontwikkeld: het doet allemaal niet ter zake. Hoe diverser de achtergronden in projecten, hoe beter. Wat ook veel uit bleek te maken is of teamleden – ook als ze niet tot de harde kern van het team behoren – al dan niet behoren tot de harde kern van een ander team. De grootste kans op teamsucces ontstaat wanneer zoveel mogelijk teamleden tot de harde kern van een ander team behoren.

Met een slag om de arm stellen de onderzoekers ook vast dat het team het succes maakt, en niet het succes het team: het zou natuurlijk altijd kunnen dat mensen zich – een beetje opportunistisch – aansluiten bij een succesvol team. Dat blijkt niet uit het onderzoek.

Ik weet niet hoe het met u gaat, maar ik zie in dit onderzoek veel observaties uit de praktijk van het vrijwilligerswerk terugkomen. Succesvolle organisaties bestaan uit trekkers met veel werklust en een onevenredig grote inzet, ondersteund door mensen die weliswaar minder voor deze organisatie doen, maar wel zelf trekker zijn in een andere organisatie. Iedereen brengt passie mee, alleen de tijdverdeling over de projecten is verschillend. En….hoe diverser de werkervaring, hoe beter de organisatie.

Willen we toe naar een samenleving waarin vrijwilligersorganisaties een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen dan zullen we moeten uitvinden hoe we de vrijwillige energie van mensen langs bovenstaande lijnen – of nog betere als die uit onderzoek duidelijk worden – ingezet kunnen krijgen.

Het artikel zelf is te vinden op de preprintserver arXiv: http://arxiv.org/abs/1407.2893

M. Klug, J. Bagrow. Understanding the group dynamics and success of teams.

Red: post op 13/7 aangepast mbt de vraag leidt team tot succes of succes tot team?

Ondersteuning van vrijwilligers en informele helpers

donderdag, 17 april, 2014 om 15:42
Geplaatst door Rolf

In het onderzoek van de gemeente Rotterdam naar de stand van zaken in het vrijwilligerswerk in 2013 is ook gevraagd aan vrijwilligers (georganiseerd werk in vereniging of stichting) en informele helpers (ongeorganiseerd werk, vrienden-, burenhulp) of ze het gevoel hadden voldoende ondersteund te worden. De vraag is erg algemeen gesteld en daarmee wat lastig: voor vrijwilligers kan de vraag nog worden uitgelegd als “krijgt u voldoende ondersteuning vanuit uw organisatie”, maar dat wordt voor informele helpers natuurlijk lastig: wie zou moeten helpen als je een boodschap doet voor de zieke buurvrouw?

Toch nemen we de resultaten maar even onder loep:Schermafbeelding 2014-04-17 om 15.34.30

Allereerst lijkt het erop dat informele helpers en vrijwilligers zelfstandiger zijn gaan functioneren. De categorie die aanvinkt “ondersteuning is niet nodig” of “niet van toepassing” groeit in beide soorten onbetaald werk tussen 2011 en 2013. Op zich natuurlijk een goede ontwikkeling. Duidelijk wordt dat informele helpers ook vaker vinden dat ondersteuning niet nodig is. Gezien de aard van het werk niet vreemd.

Een groeiend deel van zowel informele helpers als vrijwilligers wordt naar eigen beoordeling helemaal niet ondersteund. Beide groepen zijn relatief klein, maar verdubbelen wel in omvang tussen 2011 en 2013. Voor een vrijwilligersorganisatie zou dit een duidelijk signaal moeten zijn, maar voor informele helpers is het wat moeilijker uit te leggen. Van wie verwacht men dan hulp of ondersteuning? Het zou kunnen zijn dat een informele helper hier aanloopt tegen andere partijen die zich moeilijk in laten schakelen bij hulpverlening. Ik zou me voor kunnen stellen dat je als buurvrouw niet in gesprek komt met de huisarts of de woningcoöperatie als je ziet dat er iets mis is met een buurman.

De groep die te weinig wordt ondersteund blijft vrijwel gelijk. Samen met de mensen die helemaal niet worden ondersteund praten we dan over 15% van de informele helpers en vrijwilligers. Op zich nog steeds een slok op een borrel.

Dat het aantal vrijwilligers dat voldoende wordt ondersteund sterk daalt heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat die ondersteuning minder nodig wordt gevonden.

Al met al geen grote problemen dus, maar er is toch een kleine en groeiende groep vrijwilligers die het gevoel heeft in het diepe gegooid te worden. Allemaal toch maar even blijven opletten dus.

Bron: Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2013. Drs. Paul A. de Graaf, Onderzoek en Business Intelligence, januari 2014. Onderzoek in opdracht van Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, Directie Activering en Welzijn, Afdeling Ontwikkeling en Beleid van de gemeente Rotterdam.

Betaal genoeg of betaal helemaal niet!

vrijdag, 4 april, 2014 om 12:58
Geplaatst door Rolf

In een vorige post beschreef ik een onderzoek van Gneezy en Rustichini dat liet zien dat financiële prikkels en gedragsverandering niet altijd zo samenhangen als je in eerste instantie zou verwachten. Een boete zorgde daar voor een toename van ongewenst gedrag. Dat was een boete. Hoe zou het dan zitten met beloningen?

De conventionele economische wijsheid is dat een hogere beloning een hogere inzet geeft en daarmee een beter resultaat. Psychologen – met name cognitieve – waarschuwen nog wel eens dat belonen ten koste kan gaan van de intrinsieke motivatie en daarmee van de inzet en van het uiteindelijke resultaat. Gneezy en Rustichini onderzochten dit vraagstuk met een aantal elegante experimenten.

De experimenten
In hun eerste experiment – weer in Israel – vroegen ze 160 studenten, verdeeld over 4 groepen van 40 elk, om 50 vragen te beantwoorden. De vragen waren zo uitgezocht dat de studenten inzet moesten tonen om ze te beantwoorden – rekenen of redeneren dus, geen weetjes. Bij de eerste groep werd beloning überhaupt niet genoemd, de tweede kreeg 0,1 NIS (de Israëlische munteenheid) per goed beantwoorde vraag, de derde 1 NIS en de laatste 3 NIS. De resultaten waren als volgt:

gneezy pay enough 1

Uit de drie laatste kolommen wordt duidelijk dat je, als je een hogere beloning geeft, grosso modo meer vragen goed beantwoord krijgt. Het gekke is alleen dat je in de situatie waarin er helemaal geen sprake is van een beloning, een betere prestatie krijgt dan bij de lage beloning. Economen lijken dus gelijk te hebben- meer belonen werkt beter -, maar ook de pyschologen: een lage beloning geeft slechtere resultaten dan helemaal geen beloning.

In een tweede experiment – ook in Israël – werden 180 scholieren, die gingen collecteren tijdens een landelijk bekende collecteweek voor een goed doel, verdeeld over drie verschillende behandelingen. Eén deel kreeg alleen te horen dat hun resultaten gepubliceerd zouden worden, een tweede dat ze naast publicatie ook 1% van hun eigen opbrengst extra zouden krijgen, en een derde dat ze naast publicatie 10% van hun eigen opbrengst mee zouden krijgen. De extra inkomsten gingen niet af van die van de collecte, maar werden betaald door de onderzoekers. De collecte-opzet was zo uitgedacht dat het weer de inzet was, het “loopvermogen”, dat bepalend zou zijn voor de uitkomsten en zo weinig mogelijk de kwaliteit van het “praatje” aan de deur. De resultaten waren als volgt:

gneezy pay enough 2

Ook in dit experiment werd duidelijk dat geen betaling betere resultaten geeft dan lage betaling – en zelfs betere dan de hogere betaling.

Gneezy en Rustichini onderzochten met een derde experiment verder nog of mensen zich wel realiseren dat dit effect optreedt: zowel bij het vragen-experiment als bij het collecte-experiment werd aan weer andere proefpersonen – zogenaamd “managers” van de mensen die proefpersoon waren in de echte experimenten –  gevraagd om een beloningssysteem voor hun “ondergeschikten” te kiezen.
De managers zouden 1 NIS krijgen voor elk goed antwoord van hun ondergeschikten in het vragen-experiment resp. 5% van de opbrengst van hun ondergeschikten in het collecte-experiment. Ze hadden er dus alle belang bij om het beste beloningssysteem te kiezen.

Bij het vragen-experiment mocht worden gekozen tussen geen beloning of  10 cent per goed antwoord. In het vragen-experiment koos 87% van de managers – die het geld voor de proefpersonen uit hun eigen opbrengst moesten betalen – voor de 10 cent optie.  Ze zaten zichzelf dus dubbel dwars: ze namen de keuze die een lagere score veroorzaakte en ze moesten het nog zelf betalen ook. Dat gold ook voor de 76% van de “managers” die in het collecte-experiment koos voor een beloning van 1% voor hun collectanten: zij kregen minder geld met hun keuze en moesten dat nog zelf betalen ook. In beide gevallen was de keuze voor “onbetaald” dus – dubbel – lucratiever geweest. Dat onbetaald dus beter werkt dan laag betaald – tot een bepaalde hoogte althans – zit ons dus nog niet echt tussen de oren.

De conclusie:
Geen beloning werkt blijkbaar beter dan een kleine beloning. Economen hebben nog steeds gelijk in de zin dat een hogere beloning betere resultaten geeft – als je een beloning geeft; maar psychologen ook, want geen beloning is beter dan een lage beloning. De verklaring van Gneezy en Rustichini is – net als in de vorige post – dat het noemen of ter sprake brengen van de beloning het spel verandert: zonder beloning is er meer sprake van een contract dat wordt geïnterpreteerd als een sociaal contract; na het introduceren van de beloning is er sprake van een meer financieel contract. In het eerste geval blijken mensen zich dus meer in te zetten dan bij de lager betalende varianten van het financiële contract. Betaal je steeds meer, dan gaan de resultaten ook omhoog, tot je op een gegeven moment boven het “onbetaalde” niveau komt. De auteurs vatten hun artikel dus ook weer netjes samen in de titel: “pay enough or don’t pay at all”.
Vrijwilligerswerk (sociaal contract) is dus echt iets anders dan “werken tegen een beloning van € 0,-” (financieel contract).

De literatuur:
Uri Gneezy, Aldo Rustichini. Pay enough or don’t pay at all. The Quarterly Journal of Economics, 2000. Onder meer te vinden via deze link.