Archief voor catergorie ‘Filantropie in Nederland’

Gemeenschapsfonds Prins Alexander?

donderdag, 6 augustus, 2015 om 12:01
Geplaatst door Rolf

Euro_banknotesIn een vorige post heb ik een schatting gemaakt van het geefgeld dat jaarlijks door huishoudens in Prins Alexander wordt opgebracht.  Dat is een bedrag van 9 miljoen euro. Elk jaar weer. Dat bedrag gaat naar kerken, naar onderzoek, naar hulp en andere goede doelen via collectes, bedelbrieven, acceptgiro’s, automatische overschrijvingen en meespelen in loterijen.

Uit het onderzoek “Geven in Nederland 2015″ is ook bekend dat alle bedrijven samen in Nederland jaarlijks een bedrag aan giften en sponsoring opbrengen dat ongeveer 70% is van de opbrengsten van alle huishoudens samen. Een schatting voor het bedrag dat door bedrijven in Prins Alexander wordt gegeven is dus 70% van 9 miljoen, een ruime 6 miljoen dus. Nu hebben we veel bedrijven in Prins Alexander, dus zou het zomaar meer kunnen zijn.

Samen brengen huishoudens en bedrijven uit OnsAlexander jaarlijks dus een ruime 15 miljoen euro op voor goede doelen. Voor een deel blijft dat geld in het gebied (zoals via de diaconie van de kerken of sponsoring van vrijwilligersorganisaties als de wijkbus en sportverenigingen), maar een groot deel stroomt het gebied toch uit. Dat geld komt soms ook wel weer terug in het gebied doordat landelijke fondsen hier projecten ondersteunen, maar het nadeel daarbij is dat de beslissing om te steunen niet meer lokaal wordt genomen.

Een mogelijkheid om bewoners en bedrijven in een gebied als Prins Alexander meer bij de lokale vrijwilligersorganisaties te betrekken is het opzetten van een gemeenschapsfonds. Huishoudens en bedrijven kunnen geld storten in zo’n fonds en een onafhankelijk bestuur neemt op grond van lokale kennis besluiten over welke vrijwilligersorganisaties met welk bedrag uit het fonds gesteund worden.

Voor vrijwilligersorganisaties is een gemeenschapsfonds een manier om minder afhankelijk te worden van subsidies van de overheid. Dat is om twee redenen belangrijk. Te grote afhankelijkheid van subsidies bedreigt de financiële duurzaamheid van een vrijwilligersorganisatie. Hoe meer verschillende financieringsbronnen een organisatie kan aanboren hoe beter. Verder stelt de overheid relatief strenge voorwaarden aan subsidiëring. Een gemeenschapsfonds is een private instelling (veelal een stichting) die zelf kan besluiten over de te stellen voorwaarden voor ondersteuning.

Gemeenschapsfondsen schieten inmiddels als paddestoelen de grond uit en Prins Alexander heeft er met ruim 90.000 inwoners een mooie schaal voor: het is een middelgrote stad op zich. Klein genoeg om zicht te kunnen houden op wat er allemaal gebeurd, groot genoeg voor een echt stevig fonds.

Dan dus de hamvraag: wie wil meedenken over de mogelijkheden voor het opzetten van een Gemeenschapsfonds Prins Alexander? Voor een bestuurslid van een (vrijwilligers)organisatie met een brede visie op vrijwilligerswerk zou dit een uitdaging moeten zijn, omdat een gemeenschapsfonds een belangrijk instrument is om het vrijwilligerswerk in een gebied te versterken. Voor een betrokken ondernemer zou meedenken over of deelnemen aan een gemeenschapsfonds een efficiënte manier kunnen zijn om uiting te geven aan MBO-beleid.

Wie biedt?

Geven in OnsAlexander

maandag, 13 juli, 2015 om 14:31
Geplaatst door Rolf

CoverMet al die nadruk op tekorten, bezuinigingen en schulden zouden we bijna vergeten dat Nederland een rijk en vrijgevig land is. Hoe ik dat weet? Omdat er al lang – de eerste onderzoeken gingen over 1995 – goed onderzoek wordt gedaan naar het geefgedrag van Nederland. In “Geven in Nederland 2015″ van Bekkers, Schuyt en Gouwenberg is een schat aan informatie verzameld over giften, nalatenschappen, sponsoring en vrijwilligerswerk in ons land. Hieronder een paar van de belangrijkste resultaten en hun vertaling naar OnsAlexander.

Particulieren, fondsen, bedrijven en kansspelorganisatoren gaven in 2013 (geen schrijffout, het verwerken van de onderzoeksgegevens duurt gewoon 2 jaar) een kleine 4.4 miljard euro aan geld en goederen weg, aan wat zij zelf goede doelen vinden. Buiten al het geld dat via de belastingen wordt ‘ingezameld’ om de publieke zaak te bevorderen, leggen huishoudens, bedrijven en andere private partijen daarmee dus een knappe financiële basis onder veel maatschappelijke activiteiten. Naast geld steken particulieren en bedrijven ook nog de nodige tijd in de maatschappij, via vrijwilligerswerk. Geef-geld en geef-tijd zijn samen te vatten onder de term filantropie: vrijwillige private actie voor publieke doelen.

Voor wat betreft geef-geld ziet het beeld er op hoofdlijnen voor 2013 als volgt uit:

GIN1

Huishoudens (met 45%) en bedrijven (met 31%) leverden in 2013 het overgrote deel van het geef-geld in Nederland. De collectes, de acceptgiro’s en de automatische overboekingen van alle huishoudens samen brachten bijna 2 miljard euro op. Giften en sponsoring van het bedrijfsleven bedroegen bijna 1.4 miljard euro in 2013. Uit nalatenschappen kwam in 2013 minstens 265 miljoen euro bij maatschappelijke doelen terecht; minstens, want lang niet alle nalatenschappen waren bij de onderzoekers bekend. Vermogensfondsen – zoals bijvoorbeeld De Verre Bergen in Rotterdam – brachten samen minstens 184 miljoen op – want ook daar was nog geen zicht op het hele veld. Van geldwervende fondsen – die hun geld bij particulieren ophalen en dan weer doorverdelen – zijn alleen de bijdragen uit eigen vermogen meegeteld: anders zou geld van particulieren dat naar deze fondsen gaat dubbel meetellen. Ook de Nationale Postcode Loterij, de BankGiro Loterij, de Lotto en andere kansspelen leverden ons nog eens bijna een half miljard euro per jaar op. Al met al gaat er dus veel geld om in de filantropie.

Eén getal maakte op mij echt indruk: omdat bekend is hoeveel huishoudens Nederland kende in 2013 kan ook het gemiddelde bedrag per huishouden worden bepaald. Een huishouden gaf in 2013 gemiddeld € 204 aan goede doelen.

Over de resultaten van “Geven in Nederland 2015″ is nog veel meer te vertellen en dat ga ik ook zeker doen. Maar ik ga me in de rest van deze post te buiten aan wat vergezichten. Wat kunnen deze cijfers nu in de praktijk betekenen voor het vrijwilligerswerk in Prins Alexander, voor OnsAlexander?

OnsAlexander telt ongeveer 45.000 huishoudens. Als de getallen van “Geven in Nederland 2015″ een beetje kloppen – en er is geen reden aan te nemen dat dat niet zo is – dan gaat er per jaar dus vanuit OnsAlexander zo’n 9 miljoen euro (45.000 keer € 204) naar goede doelen. Een deel van dat geld komt wel weer terug in OnsAlexander (via kerken en geldwervende fondsen etc.), maar wat zou het toch lekker zijn als we een deel van dat geefgeld rechtstreeks beschikbaar zouden hebben om in te zetten in OnsAlexander.

In het najaar wil ik samen met anderen uit OnsAlexander verkennen wat we zouden kunnen doen om dat lokaal opgebrachte geefgeld ook wat lokaler te besteden. Wat voor manieren kunnen we daarvoor verzinnen? Wie zou erbij betrokken moeten zijn? Hoe krijgen we samenwerking op dat gebied tot stand? Ik hoor graag wie mee wil denken en mee wil bouwen.

Literatuur: Geven in Nederland 2015, Giften, Nalatenschappen, Sponsoring En Vrijwilligerswerk; Bekkers, Schuyt en Kouwenberg (red.); Reed Business, 2015. ISBN 978 90 352 4818 2.

Elk voordeel heeft zijn nadeel

maandag, 1 september, 2014 om 11:37
Geplaatst door Rolf

Filantropie in NederlandOp grond van de voorgaande posts zou je bijna gaan denken dat de civil society een wondermiddel is. Burgers en hun organisaties kunnen veel repareren van wat overheid en markt niet goed kunnen regelen, maar burgers kunnen nu ook weer niet àlles. Nu is dat op zich geen probleem, want nergens staat dat burgers àlles zelf moeten gaan doen. Onze samenleving – de participatie-samenleving – blijft het best functioneren als er een evenwicht bestaat tussen overheid, markt en civil society. Dat evenwicht lijkt nu wat meer (terug) te verschuiven naar de civil society, juist omdat we de grenzen gaan zien aan wat overheid en markt kunnen. Maar “falen” van overheid en markt betekent niet dat de civil society zelf geen problemen kent. En juist om te voorkomen dat onrealistische verwachtingen worden gewekt, is het belangrijk te zien wat dan de tekortkomingen van die civil society zijn. Maar blijf onthouden: zoals ook een goed functionerende overheid niet alles kan, en een goed functionerende markt ook niet alle problemen op kan lossen, kan zelfs een goed functionerende civil society niet alles voor iedereen zijn. Alleen samen en in evenwicht wordt het wat.

Wat kan er dan misgaan in de civil society? Er zijn in ieder geval vier aandachtspunten:

  • filantropische inefficiency. De overheid heeft – in principe – altijd geld genoeg. Via belastingen, waar niemand zich aan kan onttrekken (nou ja, op partijen na met erg handige adviseurs), draagt iedereen een steentje bij in de vorm van geld. Met dat geld koopt de overheid werkuren om dingen uitgevoerd te krijgen. Wanneer burgers samen iets willen doen leveren ze zelf de uren en het geld. Maar die uren en dat geld worden vrijwillig gegeven. Er zullen altijd mensen zijn die wel profiteren van wat de anderen organiseren, maar er niet zelf aan bijdragen, de zogenaamde free riders.  Niet iedereen geeft geld bij collectes en niet iedereen doet aan vrijwilligerswerk. De overheid kan dus medewerking afdwingen (verplichte belasting of dienstplicht), de civil society kan en wil dat niet – het gaat daar om vrijwillige bijdragen. Tegenover het voordeel van de vrijwilligheid staat het nadeel van de beperktere mogelijkheden. Elk voordeel heeft zo zijn nadeel.
  • filantropisch particularisme. De overheid is er voor elke burger, de markt voor elke koopkrachtige. Geen paspoort? Overheid kan – in principe – niets voor je doen. Geen geld? Markt is – in principe – niet in je geïnteresseerd. Burgers richten zich op doelen of doelgroepen die ze zelf kiezen, zonder de verplichting er voor iedereen te zijn. Populaire doelen of doelgroepen krijgen meer aandacht; sta je niet zo in de belangstelling dan is het lastiger. De vrijheid – met je eigen geld en je eigen vrijwilligerswerk – ergens niet van te zijn maakt focus en persoonlijke betrokkenheid mogelijk, maar sluit ook uit. Er bestaat daarmee een zeker risico op “gaten” in het het werk van de civil society.
  • filantropisch paternalisme. Wie betaalt, bepaalt. Een civil society organisatie die voor de financiering afhankelijk is van één gulle gever loopt het risico dat die gulle gever gaat bepalen wie en hoe er wordt geholpen. De inzet van een groep burgers wordt gekaapt door de financier of de leverancier van de uren.
  • filantropisch amateurisme. Dat je graag vrijwillig wilt bijdragen aan het oplossen van een probleem zegt iets over je motivatie, maar nog niets over hoe deskundig je bent. Betrokkenheid en deskundigheid hoeven niet altijd gelijk op te lopen. Bijzonder gedreven net de verkeerde dingen doen schiet niet op.

Deze mogelijke tekortkomingen zijn natuurlijk geen reden nee te zeggen tegen de civil society. Met name de inefficiency en het particularisme zijn keerzijden van de vrijwilligheid. Het risico op paternalisme en amateurisme is met goed bestuur in de praktijk wel te verkleinen. Het zijn wel vier punten om goed op te letten wanneer wordt bekeken hoe we de civil society verder vorm willen gaan geven – als we dat proces al echt kunnen sturen. Elke sfeer, overheid, markt en civil society, heeft zijn eigen voor- en nadelen en alleen wanneer de onderdelen elkaars zwakke kanten compenseren ontstaat een stabiel systeem.

Vorige post volgende

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Een kleine anatomie van de civil society

dinsdag, 8 juli, 2014 om 13:19
Geplaatst door Rolf

democratische driehoekIn Filantropie in Nederland geeft Lucas Meijs in zijn introductie een korte schets van wat wordt verstaan onder de civil society. Omdat het verhaal van de civil society niet vaak genoeg verteld kan worden in een tijd waarin het lijkt alsof alles draait om de overheid, de markt en de burger als individu, volgen hieronder wat cruciale punten: een kleine anatomie van de onderlinge verbanden tussen burgers. Lees het boek als je meer wilt dan de onderstaande “civil society for dummies”.

Het grote plaatje: een samenleving bestaat uit drie onderdelen: overheid, bedrijfsleven en civil society. Ze leveren allemaal hun aandeel aan die samenleving, zijn alle drie nodig en ze hebben alle drie hun sterke en zwakke punten. Alleen samen en in evenwicht is het een sterk bouwsel. Wat behelst nou die civil society?

Je kunt dan kijken naar de functies die er door worden uitgevoerd:

  • onderlinge hulp en solidariteit: burgers kunnen en mogen zich verenigen om samen iets te verwezenlijken. Los van de overheid en zonder winstoogmerk samen doen wat je belangrijk vindt.  Sporters zetten een sportclub op, patiënten een zelfhulpgroep, ouders een school. “Wij voor ons”, zeg maar. Sociale cohesie begint hier.
  • dienstverlening aan anderen: burgers  kunnen en mogen hulp aan of diensten voor anderen organiseren. Met name als de overheid niet kan of de markt niet wil, stappen burgers – niet als individu, maar samen – in. Ook weer los van de overheid en zonder winstoogmerk. Gewoon omdat ze dat menselijk vinden. “Wij voor hen”, om het in het kort te zeggen.
  • stem geven aan verontwaardiging. De wereld kan altijd beter, er zullen altijd misstanden blijven en samen proberen een ideaal gerealiseerd te krijgen begint vrijwel altijd met burgers die iets aan de kaak stellen en actie ondernemen. Overheid en markt krijgen zo bij misstanden een onafhankelijk tegengeluid. “Wij voor de wereld”.

Waar de overheid en de markt niet willen of kunnen, kunnen burgers samen vaak wel iets voor elkaar krijgen. Op deze manier gebeurt er dus veel dat anders zou blijven liggen omdat het niet in het beleid past of geen winst oplevert. Zo bekeken repareert de civil society dus de tekortkomingen van de overheid en de markt. Dat neemt niet weg dat er vaak – meestal – ook innig wordt samengewerkt tussen overheid en civil society en tussen markt en civil society.

De drie functies van de civil society laten zich mooi vertalen naar drie typen organisaties. Dat zijn dan wel pure – ideale – types, want in de praktijk loopt een en ander nogal eens door elkaar heen.  Zo zijn er dus de “onderlinge” organisaties (veelal verenigingen), de “dienstverlenende” organisaties en de “actie-organisaties’.  In de praktijk zal een bepaalde organisatie vaak wel kenmerken van twee of zelfs drie typen hebben.

Die indeling is handig. Omdat er zoveel verschillende soorten organisaties zijn (sport, cultuur, hulp, onderwijs, armoede, natuur etc.) is het moeilijk om te zien wat ze gemeenschappelijk hebben en waarin ze verschillen. Door de indeling van hierboven toe te passen zie je dat een speeltuin en een sportvereniging als “onderlingen” veel op elkaar lijken. Een voedselbank, Dress for Success en schuldhulpmaatjes hebben als “dienstverleners” meer met elkaar gemeen dan alleen het thema armoede.

Een ander voordeel van de indeling: een club die zich ontwikkelt van een “onderlinge” naar een “dienstverlener” moet echt een nieuw kunstje leren. De routines, gewoonten en reflexen van een onderlinge zijn anders dan die van een dienstverlener. Mocht je je als bestuurslid afvragen waarom zo’n proces nou zo moeilijk verloopt: je bent echt bezig de aard van de organisatie te veranderen. Vrijwilligerswerk in een “onderlinge” heeft echt een andere lading dan in een “dienstverlener”.

Nog iets handigs: als de overheid al praat over de civil society, dan doet ze dat vaak in termen van de Wmo. Als de burger als individu iets moet doen of moet regelen, dan is dat eigenlijk niet iets voor de civil society. Als burgers samen iets moeten gaan doen, dan denkt de overheid daarbij vaak in eerste instantie aan “dienstverleners”. Voor een sterke civil society is de aanwezigheid van “onderlingen” – voor sociale cohesie – en actie-organisaties – voor tegenwicht – echter ook noodzakelijk. Steun en aandacht voor hen mag dus niet ontbreken.

Vorige post volgende.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

Filantropie in een nieuw licht

dinsdag, 1 juli, 2014 om 12:37
Geplaatst door Rolf

In de introductie van Filantropie in Nederland, dat wordt uitgeven door de Stichting Maatschappij en Onderneming, laat Lucas Meijs, hoogleraar “vrijwilligerswerk, civil society en bedrijven” en hoogleraar “strategische filantropie” aan onze eigen Erasmus Universiteit ons een flinke stap achteruit doen uit de dagelijkse praktijk om ons eens anders naar ons eigen veld te laten kijken.

democratische driehoekLucas – als oud-inwoner van Prins Alexander mogen wij hem vast wel zo noemen – begint bij de “civil society”, de ruimte die burgers zelf hebben, krijgen, maken en soms bevechten om zelf vorm te geven aan de samenleving. Waar duidelijk is dat de “overheid” – met wetten, beleid, regelgeving, belasting, subsidie – een zwaar stempel drukt op de samenleving en waar net zo duidelijk is dat de “markt” – met bedrijfsleven, winst, welvaart, werkgelegenheid, grondstoffengebruik – onze samenleving beïnvloedt, doen burgers dat natuurlijk zelf ook – met verenigingsleven, wereldverbetering, alledaagse solidariteit, belangenbehartiging. Ze doen dat dan niet zozeer als individu, maar als ‘burgers samen’. Al die vrijwillige verbanden van burgers kun je samenvatten als de “civil society”. Als individuele burger zul je dus te maken krijgen met drie “partijen”: met de overheid, met de markt en met de civil society: verenigingen, stichtingen en – heel modern – burger-initiatieven. De maatschappij in een notendop.

Even terzijde: burgers als individuen hun eigen problemen op laten lossen en dat dan “civil society” noemen kan dus echt niet. De nadruk op zelfredzaamheid – op zichzelf best nastrevenswaardig – als oplossing bij bezuinigingen gaat juist voorbij aan het feit dat burgers zich organiseren juist omdat veel problemen makkelijker op te lossen zijn door samen te werken. Markt, overheid en de individuele burger als consument/cliënt komen er samen echt niet meer uit. Tegenwerpen dat niet iedereen zich zo goed kan organiseren gaat dan weer voorbij aan de constatering dat mensen in de praktijk van alledag veel meer solidariteit met elkaar kunnen opbrengen dan nu vaak gedacht. Het draait dus allemaal om mede-redzaamheid.

Terug naar Filantropie in Nederland: in de civil society gelden andere regels dan bij de overheid, waar iedereen meebetaalt via belastingen, waar subsidies op basis van democratische besluiten worden verstrekt en uiteindelijk naar iedereen moeten worden verantwoord. De regels zijn ook anders dan bij de markt: daar geldt dat iedereen die het kan betalen, mee kan doen. In de civil society besluiten mensen vrijwillig of ze mee willen doen, waaraan en hoe dan wel. Die eigen regels maken de civil society zo krachtig als aanvulling op en als tegenwicht tegen de beide andere delen: het werkt er gewoon allemaal anders en dat maakt andere dingen mogelijk.

Als onafhankelijk maatschappelijk segment heeft de civil society zijn eigen “energiebron”, filantropie genoemd. Filantropie valt dus ook zeker niet samen met de civil society. Filantropie is de grondstof waarmee de civil society werkt om dingen voor elkaar te krijgen. Filantropie in traditionele zin betekent “menslievendheid”, iets wat nogal eens associaties opriep van te rijke mensen die gul geld gaven aan hun maatschappelijke hobby’s. Die associatie is niet meer van deze tijd. Met het veranderen van de samenleving is ook het denken over filantropie veranderd. We willen – en kunnen – niet meer terug naar “liefdadigheid”.

Onder filantropie wordt tegenwoordig verstaan: private activiteiten voor publieke doelen. Mensen ontplooien als burgers, onafhankelijk van markt en overheid, activiteiten waar iedereen beter van wordt. Die filantropie komt tot uiting in twee aspecten: menskracht en geld. De menskracht wordt geleverd in de vorm van vrijwilligerswerk, het geld door particuliere giften. Veel burgers geven dus, ofwel in de vorm van uren ofwel in de vorm van geld. Filantropie is dus tegenwoordig zowel de collectant die langs de deuren gaat voor het Longfonds, als de gever die een beetje van zijn eigen geld in de collectebus stopt. Beiden doen dat vrijwillig omdat ze de activiteiten van het Longfonds belangrijk vinden en die activiteiten daarom graag ondersteunen. Tientje voor tientje, uur na uur wordt zo het verschil voor al die patiënten gemaakt. Burgers samen.

Filantropie is dus iets heel anders dan subsidie: over subsidie wordt door de overheid beslist op basis van beleid en van democratische regels en verantwoording. Over filantropie gaan alleen burgers zelf: als genoeg burgers iets belangrijk vinden kunnen ze het – in principe – gewoon zelf regelen, met vrijwilligerswerk en ook met geld. In plaats van wachten op een overheid  die het niet snapt (vanwege een ander perspectief) of het niet snel genoeg kan (vanwege trage beleids- of besluitvorming) of het gewoon niet goed kan (vanwege eisen die maatwerk onmogelijk maken) nemen burgers zelf het initiatief. Makkelijk? Nee, heel vaak niet, maar mogelijk is het wel. En naar het zich nu aan laat zien, ook steeds noodzakelijker.

Nederland lijkt op het gebied van de filantropie een beetje een scheefgroei te hebben doorgemaakt: het vrijwilligersdeel staat er goed voor, het geld-gedeelte heeft tot nu toe veel minder aandacht gekregen. Nu leveren de collectebus en de maandelijkse overschrijving ook zeker niet als enige het geld voor de civil society. De Nederlandse overheid heeft altijd ruimhartig subsidies verstrekt aan ons veld. Met het schrikbeeld van een terugtrekkende overheid voor ogen ontdekken we nu dat we echt aandacht moeten gaan besteden aan de ontwikkeling van het geefgeld-gedeelte.

Voor alleen een pas op de plaats zouden verminderende subsidies ongeveer moeten worden gecompenseerd door hogere filantropische inkomsten. Voor echte groei moet er nog veel meer gebeuren. Deze publicatie komt daarom dus op een goed moment.

Vorige post volgende.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.

(N)iets nieuws onder de zon

dinsdag, 24 juni, 2014 om 20:44
Geplaatst door Rolf

Filantropie in NederlandDe participatiesamenleving (nee echt, participatiemaatschappij is fout, dat is iets heel anders) begon echt niet met de troonrede in 2013. De discussie erover natuurlijk wel. Hoewel, discussie? Veel werk dat nu al door vrijwilligers – burgers, mensen – wordt gedaan, wordt onder het tapijt geveegd want “de participatiesamenleving is gewoon een excuus voor bezuinigen”. Tegenstanders lijken nog steeds uit te gaan van een samenleving waarin overheid en markt – al dan niet met de burger als individu – alles wel voor elkaar kunnen krijgen. Burgers die samen, onafhankelijk van of juist in samenwerking met overheid en markt, iets voor elkaar gedaan krijgen ontbreken nog veel te vaak in de analyses.

Aan de andere kant lijkt burgerkracht ook wel “de oplossing voor alles”. Juichende verhalen over slimme nieuwe initiatieven en experimenten – omarmd door een overheid die de inzet van burgers wel even zal gaan regisseren – leiden ook daar af van alles wat er nu al door burgers samen wordt bereikt. Niet kijken naar wat er al is, maar vooruit vluchten in het nieuwe, in het experiment – het 293e buurthuis in zelfbeheer – suggereren dat alles opnieuw moet worden ontwikkeld, het liefst binnen het veilige kader van een “participatieleidraad”, aangereikt door de overheid. Wat al bewezen heeft te werken verdwijnt zo uit het zicht. Nieuw is blijkbaar stuurbaar, plooibaar, inpasbaar in beleid.

De participatiesamenleving is niets nieuws. We doen – als burgers, als mensen – heel veel samen en hebben dat ook altijd al gedaan. Vrijwilligerswerk, burgerkracht, filantropie, het is letterlijk van alle tijden, en het is zeker ouder dan “overheid” of “markt”. Al langer dan we ons realiseren helpen mensen elkaar. Margaret Mead – cultureel antropologe van wereldfaam – beschouwde de vondst van een geheeld maar ooit gebroken dijbeen bij een prehistorische opgraving als een indicatie van het vinden van beschaving: alleen met hulp van anderen zou een mens die breuk in het verre verleden hebben kunnen overleven. We waren en zijn van nature solidair met elkaar: slechts de vormen waarin die solidariteit zich uit, veranderen.

Tussen de mensen die vrijwilligerswerk neerzetten als schaamlapje voor neoliberaal beleid en hun tegenstanders die het zien als een wondermiddel gaapt een groot gat. Een congres op 19 juni 2014 in Rotterdam gaf en een daar gepresenteerd boek – Filantropie in Nederland – geeft een stevige aanzet om dat vacuüm te vullen met substantie. Op initiatief van NOV en Gilde heeft de Stichting Maatschappij en Onderneming een goed getimede publicatie verzorgd die een overzicht geeft van waar “we” op het moment staan: wat speelt er nu eigenlijk in de civil society, in het vrijwilligerswerk? Hoeveel geefgeld gaat er jaarlijks om in Nederland en hoe kijken we tegenwoordig naar het begrip filantropie? Hoe werkt “privaat Nederland” eigenlijk voor de publieke zaak?

Maar het alleen beschrijven van de stand van zaken – hoe noodzakelijk ook omdat die nogal eens wordt weggemoffeld – zou onvoldoende richting geven aan de discussie. Wat zijn de uitdagingen waar we voor staan? Hoe kunnen al die vormen van private inzet bijdragen aan het grotere geheel? Hoe stemmen we ze op elkaar af? Hoe optimaliseren we de bijdrage van burgers naast die van overheid en markt? Allemaal relevante vragen voor de inrichting van de participatiesamenleving, een samenleving waarin ‘burgers samen’ vorm geven aan solidariteit, op een moderne, bijdehante en zelfbewuste manier.

Op basis van bestaand wetenschappelijk werk en speciaal voor deze bundel geschreven beschouwingen wordt in Filantropie in Nederland een beeld geschetst dat uitgangspunt kan zijn voor de echte zoektocht: hoe geven we de filantropie – de private actie van burgers en bedrijven voor de publieke zaak – de plaats waar deze het meest tot zijn recht komt? Net doen of het er niet is of veronderstellen dat het alles kan, kan in elk geval niet meer. Dat levert niets op behalve verwarring en die is er al genoeg.

Burgers kunnen samen veel, maar niet alles. Wat we wel samen kunnen, laten we daar maar eens op basis van recente inzichten met elkaar over praten. Op OnsAlexander volgt hiervoor een reeks besprekingen van de hoofdpunten. De volgende post vindt u hier.

Filantropie in Nederland, onder redactie van Lucas Meijs, een uitgave van Stichting Maatschappij en Onderneming, 2014. ISBN 978-90-6962-247-7.